Oud-Stoters vertellen




Het Dagboek van Kees van Emmerik

1: Kees van Emmerik 1994


Inhoud:

0: Voorwoord
1: Het Moeven
2: Het derde Bataljon Stoottroepen op Malakka.
    Waar is het varken?
3: Landing op Banka
4: Dat was de taak die ons wachtte .....
5: Soldaat en politiek
    Want dat is niets voor een soldaat
6: Idylle aan de waterkant
    Post 5
    En vergeet vooral niet je militaire hoofddeksel ...!

Voorwoord.

12 oktober 1996.

Mr. C.M. van Emmerik (1), Kees voor familie en vrienden, was gedurende de laatste jaren van WO-II als student ondergedoken in Zuid-Limburg. Vrijwel onmiddellijk na de bevrijding van zijn zijn onderduikadres door de Amerikaanse troepen trad hij in dienst als oorlogsvrijwilliger bij het pas opgerichte Regiment Limburgse Stoottroepen (2). Na een flink aantal omzwervingen door Duitsland, België en Nederland besloot Kees reeds in begin juni 1945 om actief deel te gaan nemen aan de strijd in het Verre Oosten waar het v.m. Nederlands Indië nog bezet werd door Japan.

Kees werd ingedeeld bij het IIIde bataljon Stoottroepen in Vught en vertrok begin september 1945 via Oostende naar Engeland. Na een kort verblijf in Wokingham werd in Liverpool aan boord gegaan van het (beruchte) m.s. de Alcantara (4) waarmee hij in Malakka (Port Dickson) (4) arriveerde. Vervolgens werd hij met het bataljon ingezet op Banka, West-Java en Zuid-Sumatra (Palembang, Praboemoelih, Pagergoenoeng) (4), om eind april 1948 met het m.s. Zuiderkruis (5) weer terug te keren naar Nederland.

Kees nam zijn eerder afgebroken studie weer op en werd jurist. Van zijn hand verschenen in de 50-er en 60-er jaren een aantal publicaties in landelijke weekbladen, waaruit mocht blijken dat hij naast jurist ook een uitstekend journalist/verteller was.

Nadat hij met pensioen was gegaan vatte hij het plan op om zijn dagboek, dat stamde uit zijn militaire dienst, nader uit te werken en daarvoor in aanmerking komende onderwerpen in verhaalvorm op schrift te stellen.

Helaas werden slechts tien verhalen werkelijkheid omdat Kees getroffen werd door een ernstige ziekte waaraan hij op 25 juli 1994, 75 jaar oud, veel te vroeg overleed.

Dank zij de bijzondere medewerking van zijn echtgenote, Edith van Emmerik-Ploem en de enthousiaste hulp van zijn zoon Jeroen werd het mogelijk om de inmiddels gereed gekomen verhalen te bundelen en ter beschikking te laten komen van zijn oud-makkers van III (7) RS.

Wij zijn van mening dat deze onvoltooide bundel verhalen tal van Oud-Stoottroepers van dit bataljon zeer zal aanspreken en danken Kees van Emmerik postuum voor zijn inspanningen, nog gedaan in de laatste maanden voor zijn overlijden.

Leo de Pagter    271217000  5-III (7) RS
Kees de Groot   251203000  5-III (7) RS


2: Inzetgebied Limburgse Stoottroepen


3: Inzetgebied 5-III (7) RS


4: De Alcantara



5: De Zuiderkruis



6: Kees van Emmerik en Kees de Groot.


7: Kees van Emmerik met Ouders en Kees de Groot.


Het Moeven.

December 1945.

Vannacht vertrok de eerste helft van ons bataljon. Na ons komt nog het eerste bataljon en II-14-R.I., die ons eerder gevolgd waren naar Easthampstead. Wat was dat vanmorgen een sjouwpartij! Een mars van een uur naar het station van Wokingham met die zware bepakking. Er viel weer menig zweetdruppeltje, juist zoals bij ons vertrek uit Vught een maand geleden. Overigens, die Limies hebben het vervoer uitstekend geregeld: mooie derde klas wagons met zachte kussens en veel plaats. Alles ongekende weelde voor een Stoottroepman. Gemakkelijk achterover geleund in de kussens, als een gezeten burger, laat ik mijn gedachten gaan naar het jongste verleden waarin we, op een bouwvallig continent, ons op heel andere wijze plachten te verplaatsen. Ons wagenpark was een kleurrijke verzameling geweest uit alle rassen, stammen en talen. Duitse wagens die op deskundige wijze uit alle hoeken en gaten van "das grosse Vaterland" waren uitgespit. Bedfords of Austins die te danken waren aan een zeldzame goedgeefse bui van onze Engelse vrienden (het onmogelijke wordt soms mogelijk). Een enkele vervaarlijke autobus, zonder ramen, die ons door een of andere meevoelende Amerikaan was toebedeeld uit de oorlogsbuit van Uncle Sam. Maar de diepste indruk had steeds op mij gemaakt een kar waarop de monteurs van onze Stafcompagnie een cabine van eigen ontwerp hadden ingebouwd, die mij onwillekeurig deed denken aan 't Loofhuttenfeest, aan de bladertenten die de Hebreewen op hun platte daken bouwden. De bagage waarvan we deze transportmiddelen van een nieuw Nederlands leger deden uitpuilen, was zo mogelijk nog kleurrijker. Bedden en matrassen in groten getale, tafels en stoelen zeer talrijk, potten en pannen nog veel meer. Verder hangklokken, gebroken spiegels, fornuizen met gebloemde tegeltjes, dweilen, bezems, enz., enz., alles waarmee een of andere gek meende z'n nieuwe kwartier comfortabel te kunnen maken, was goed genoeg.

En dan niet te vergeten een warwinkel van paperassen die de S.M.A. (onze Sergeant-majoor) zijn administratie noemde. Verder voerden we, zeker om de overwonnenen te imponeren, talrijke bezems in top, die overal uit de bagage omhoogstaken. Dit was ongetwijfeld de voortzetting van een goedvaderlandse traditie die we kennelijk hadden overgenomen van wijlen Michiel de Ruyter die zijn masten versierde met bezemstelen. Het opladen vond gewoonlijk plaats onder zwaar gevloek en getier.

En dan brak eindelijk het moment aan dat de manschappen aan boord gingen. De uitverkorenen zielen gingen de ter beschikking staande Arke Noachs binnen. Met leedvermaak keken ze dan door de ruiten die er niet waren naar ons, paria's en uitgestotenen, die ons heil zochten boven op de bagage, waar onze voornaamste bezigheid was tijdens de tocht de spullen met handen en voeten bijeen en op de wagen te houden, en daarbij nog te zorgen dat we er zelf niet afrolden. Het wachten was tenslotte nog enkel op het sein voor de aftocht, dat - de Stoottroepgewoonte getrouw - soms onverklaarbaar lang uitbleef. Maar als dan werkelijk het indrukwekkende ogenblik gekomen was dat de stoet zich in beweging zette, waren we allen stil en diep onder de indruk. Als we een tijdje later niet meer zo onder de indruk waren, behoefden we ons toch niet te vervelen, want eenmaal vertrokken, was er altijd wel ergens een telefoondraad of zoiets dergelijks over de weg gespannen, waar je tijdig voor weg moest duiken (tenminste als je leven je lief was).

Verder was er dan nog de gespannen verwachting wanneer de eerste lekke band zou vallen. Als 't eerste schaap, begeleid door een warm en welgemeend hoeraatje, over de dam was volgden de anderen vanzelf met regelmatige tussenpozen, maar we legden toch altijd minstens tien kilometer aan een stuk af zonder ongevallen. Bovendien hadden we het grootste vertrouwen in de behendigheid van onze chauffeurs die in ongelooflijk korte tijd een band verwisselden. Routine, meneertje! Het oprukken van dit gemotoriseerde leger was niet te beschrijven. De tactiek die daarbij gevolgd werd, was geheel nieuw en kwam beslist in nog geen enkel handboek der nieuwere krijgskunde voor. Als bijvoorbeeld een compagnie van een punt ergens diep in België - laat ik zeggen Mons (Bergen in Henegouwen) - vervoerd diende te worden naar een punt in ons dierbare vaderland, ergens ten noorden van Arnhem, laat ik zeggen een groot kamp op de Veluwe (de Harskamp) was het helemaal niet denkbeeldig dat een wagen afzakte naar Charleroi, een andere koers zette naar het noorden, in Brussel van de kook raakte en daar wat bleef rondtoeren, terwijl weer anderen gezien werden in Maastricht en een laatste wagen - de laatsten zullen de eersten zijn - bij Maaseik de Maas kruiste. Voor heel dat avontuurlijk en vrijbuiterlijk gedoe kenden wij een eigen term (auteursrecht K.S.!): een voorheen onbekend anglicisme (of liever: Amerikanisme) M O V E N ......(spreek uit: moeven); een woord dat voor ons een rijkdom aan bonte gebeurlijkheden betekende. Zo hebben de Stoottroepen over duizenden kilometers de Belgische, Franse, Duitse en ... Vaderlandse landouwen doorkruist; hier juichend ingehaald, soms zelfs met bloemen bestrooid, of (wat nog leuker was) door de bloemen der natie gezoend, altijd hartelijk begroet; ginds aangestaard door stille zwijgende mensen langs verwoeste straten. Op dit ogenblik, nu er een geheel nieuwe etappe in ons soldatenleven gaat beginnen, is het niet onplezierig om aan dat alles terug te denken.

Vrijw.K. van Emmerik
Soldaat I
5e compagnie
III(7) Bataljon Regiment Stoottroepen


8: Straat Banka, lossen van noodrantsoenen
aan boord Ms. Rocksand.


9: Straat Banka, aan boord van Ms. Rocksand
op weg naar Banka.


10: Straat Banka, in de landingsboten
gereed voor de landing op Banka.


11: Banka - Tandjoeng Berikat, veldkeuken.



12: Banka - Tandjoeng Berikat, stelling.


13: Banka - Tandjoeng Berikat, bivak.


14: Banka - Tandjoeng Berikat, Kees van
Emmerik op patrouille.


15: Banka, de eerste wegversperringen.



16: Banka, de eerste wegversperringen.


17: Banka - Muntok, opmars naar Pankalpinang.


18: Banka - Muntok, voedseltransport.



19: Banka - Muntok, begraafplaats van
gesneuvelde Stoottroepers.


Het derde Bataljon Stoottroepen op Malakka.

Port Dikson, Malakka: 31 December 1945.

Zo roze en blauw heb ik de wereld nog maar eenmaal gezien.

Het oude jaar heeft nog slechts enkele uren te leven: zoals zovele van zijn voorgangers bracht het veel leed en misère voor allen. Misschien met nog meer bitterheid dan voor hen, was de teleurstelling voor hen die met een nieuw ideaal, geheven als een kleurige vaan, een nieuwe, andere wereld wilden binnentrekken. En toch, de hoop in de mens is taai; en steeds weer, als er een nieuw jaar in aantocht is, verwacht hij dat het nu eindelijk gaat gebeuren; dat nu eindelijk een nieuwe betere wereld komen gaat. En daarom viert hij, kinderlijk blij, de dood van het oude jaar met veel lawaai en ketelmuziek en het geschitter van vuurwerk. Vanavond schoten de kleurige pijlen langs de zwarte hemel van Malakka. Telkens was het landschap, heel even, gekleurd met prachtige tinten: rood en groen en blauw. De jongens zijn luidruchtig. Misschien juist om met hun luide zangstem de herinnering te bewaren aan een vroegere oudejaarsavond, die ze in huiselijke kring vierden. Ik heb niet zo'n behoefte aan lawaai. Waarom zou ik m'n gedachten niet vrij naar huis laten gaan? Naar wat zo heel ver weg, en toch - als men zich terugtrekt in 't onbestreden heiligdom der herinnering - zo heerlijk nabij is. Ik moet denken aan gisteren, toen ik met twee kameraden in de schemering de rode laan onder de palmen afwandelde naar zee. Toen we op het korte strand zaten, met de ruggen tegen de kademuur, spraken we met gedempte stem of zwegen een uur lang, om de wijding van die prachtige avond niet te verstoren. De kokospalmen, zo fijn waaiervormig getekend tegen de avondhemel, bogen moederlijk hun kronen over ons heen. Alles was zo mooi en wijdingvol. De zee met de paarse en grijze kleuren van de schemeravond, het kleine eiland voor ons met z'n grillig silhouet van lange bomen en struikgewas; dat andere eilandje, links, met het groepje hoge bomen als een vergadering van eerwaardige, gewichtig doende raadsheren. In het half duister waren de rustieke Chinese boogbruggetjes die het eiland met het strand verbinden, nog duidelijk zichtbaar. Rechts, in de verte, waar de bocht van Port Dickson vooruitspringt, beginnen talloze lichtjes te flikkeren. Daar bleef ook het goud van de ondergaande zon nog het langste zichtbaar. Wat is deze kust, vooral bij avond, toch zeldzaam mooi! Ik heb hier bij het invallen van de schemering, kleurfestijnen gezien, zoals ik nog nooit en nergens had meegemaakt. Alle kleuren van het spectrum, diep en rijk, of heel mat en zacht en teder. En de compositie van dit schilderstuk was meesterlijk: zoals alleen de Goddelijke kunstenaar zelf vermocht. Soms heb ik, hierboven op de berg, er heel lang naar moeten kijken, omdat ik er niet genoeg van kon krijgen. Eenmaal reed ik bij het vallen van de avond naar Port Dickson, een zelfde weg langs de zee, als we de eerste dag, vlak na onze landing, in bloedig zweet aflegden. Heel de hemel achter ons en boven ons was omkleed met een prachtig roze dat z'n weerschijn wierp op mensen en dingen. De zee en de horizon waren aller rijkelijkst blauw in onbeschrijflijke schakeringen. Zo roze en blauw heb ik de wereld maar eenmaal gezien!

Vrijw.K. van Emmerik
Soldaat I
5e compagnie
III(7) Bataljon Regiment Stoottroepen



20: Banka - Pankalpinang, begraafplaats van
gesneuvelde Stoottroepers.


21: Banka - Pankalpinang, graf van soldaat Krijns.



22: Java - Batavia, Meester Cornelis, Kees
van Emmerik links onder.


23: Java - Batavia, Meester Cornelis, Kees
van Emmerik links met aap.


24: Batavia, Meester Cornelis, wachtend op vervoer.


25: Batavia, station Pasar Senen.


26: Batavia, Kees van Emmerik en John Purchel.


27: Buitenzorg, Leo de Pagter en Jan Meyer.


28: Buitenzorg, paleis.


29: Buitenzorg, brug.


30: Sumatra, aan de Air Rambang.


31: Sumatra, aan de Air Rambang.


32: Palembang, ontmoeting broers Kees en
Henk van Emmerik.


33: Palembang, op de passar.



34: Palembang, Kees en Henk van Emmerik en
Leike Peeters.


Waar is het varken?

Port Dikson, Malakka: 31 December 1945.

Vannacht vierde het Bataljon oud en nieuw. Ik was helemaal niet in een stemming om me een van de feestvierende gelovigen te voelen. Daarom heb ik de nacht maar besteed aan een studie van de zeer verschillende wijzen waarop een jaarwisseling bij een bataljon Stoottroepen blijkbaar gevierd kan worden. Er waren compagnieën waar men een cabaretavond had georganiseerd, waarlijk niet onverdienstelijk. De soldatenhumor is onder het zengend vuur der stoottroeprevolutie, die onze opkomst toch was, niet bezweken, gelukkig! Elders zaten er jongens rustig en kalm bijeen rond een tafel met flessen bier en in het midden een spaarzaam olielampje. Weer anderen zaten luidruchtig te zingen met, meestal, schorre soldatenstemmen, gelijk dat wel sinds onheugelijke tijden in elk Nederlands leger de mode schijnt te zijn geweest. Er waren er tenslotte (slechts enkelen) die het nieuwe jaar niet beter meenden te begroeten dan in de kortst mogelijke tijd zoveel mogelijk "Arak" in te zwelgen, zodat de straatgootabonnees ook vertegenwoordigd waren. Doch het hoogtepunt van de avond was ongetwijfeld de schaking van het varken van de majoor, een meesterlijke Stoottroepzet. De majoor had het beestje van inlanders gekregen als "dank voor bewezen diensten". De officieren waren die avond ter tafel genodigd om gezamenlijk en feestelijk het varkentje te nuttigen. Boven op de berg, vóór het Bataljonsbureau, verlicht door enkele kaarsen en olielampen, stonden de witgedekte tafels in carré. In het midden stond het braadspit waaraan de majoor het varkentje eigenhandig roosterde onder luid gejuich en gezang van de heren officieren. De stemming was nogal vrolijk en opgewekt, rijkelijk besproeid door een of ander opwekkend vocht. Afijn, de anders zo ernstige en degelijke heren leken nu meer een stelletje kwajongens. De natuur zoekt toch altijd op een of andere manier compensatie. Maar reeds pakten zich donkere wolken samen boven de hoofden der lustige heren in de vorm van een donkere dreigende schaar van zwijgende schimmen die door de nog donkerder nacht vanuit het gebouw van de 4e Compagnie tegen de berg optrok en pas stilhield waar de duisternis overging in het lichtschijnsel van het braadvuur. Toen speelden de schimmen hun duivels en onverklaarbaar spel. Temidden van de drukte en het rumoer, terwijl de majoor nijver en opgewekt rond zijn varkentje doende was, werd het varkentje van het braadspit gelicht en in optocht heen gedragen. Zonder dat iemand der aanwezigen iets merkte! Die nacht at de ganse 4e Compagnie karbonaadjes. Zelfs de majoor moest erkennen: "Daar moet je Stoottroeper voor zijn!". Zelfs de verkenningspatrouille die na de ontdekking van de diefstal werd uitgezonden met de majoor aan 't hoofd, kon niets meer ontdekken. Tevergeefs kroop de majoor met z'n lantaarn en zijn volgelingen in alle hoeken en gaten, onder geroep van: "Waar is het varken?". Als ze lang genoeg gezocht hadden, waren ze tegen de morgen hoogstens de afgekloven botjes tegengekomen!

Vrijw.K. van Emmerik
Soldaat I
5e compagnie
III(7) Bataljon Regiment Stoottroepen


35: Palembang, Kees in kampongstraat.


36: Palembang, Chinese tempel.


37: Palembang, we betrekken stellingen op
een Chinees kerkhof.


38: Palembang, ook wel het Venetië van het
Oosten genoemd.


39: Palembang, Kampnog, de invloed van eb
en vloed is hier groot.


40: Palembang, Kampong.



41: Palembang, in de Benteng.


42: Palembang, de Benteng, tijdelijk
verblijf van 7 RS.

43: Palembang, de muur van de Benteng.


44: Palembang, Generaal Kruls op inspectie.


45: Palembang, Generaal Kruls op inspectie.



46: Palembang, parade van 7 RS tijdens het
bezoek van Generaal Kruls.


47: Palembang - Moesi, Kees van Emmerik
links onder in oude motorsloep.


48: Palembang - Moesi, aanlegplaatsen.



49: Palembang - Moesi, Kees van Emmerik en
Kees de Groot.


LANDING OP BANKA

INLEIDING


Het derde bataljon Stoottroepen, waarover dit verhaal handelt, bestaat hoofdzakelijk uit Brabanders en Limburgers, naast een klein contingent Zeeuwen en Gelderlanders. De Stoottroepen ontstonden namelijk in het Zuiden voordat het Noorden bevrijd werd, uit illegale strijders. Doch ook het Noorden is er vertegenwoordigd. Overal tussen de Brabanders en Limburgers zitten de "Hollanders", de mensen uit het land, dat bij zo velen nog steeds "boven de Moerdijk" heet, van Friesland tot Zuid-Holland toe. Ze waren in het gastvrije Zuiden ondergedoken en hebben de strijd tegen de Duitsers, eerst in het verborgene, later openlijk, schouder aan schouder gestreden met hun Zuidelijke vrienden. Het was dit bataljon, ondanks het Zuidelijk overwicht, toch heel Nederland omvattend, dat als eerste onder de Nederlandse Infanterie bataljons een militaire taak in Indië zelf te vervullen kreeg, ruim een maand voordat de overige bataljons op Java en andere plaatsen landden. Dit is het verhaal van de eerste krijgsverrichtingen op Banka.

LANDING OP BANKA

Pankalpinang, Zondag 17 Februari 1946.

Van Muntok tot Pankalpinang

Wel was het een vreemde en wonderlijke, soms ook een verschrikkelijke week. Nu, op deze prachtige zonnedag in Pankalpinang, moet ik me de ogen uitwrijven om te weten of ik droom of niet. De tegenstelling is ook wel al te groot. De koele, comfortabele, smaakvol gemeubileerde huizen in de Europese wijk waar we gelegerd zijn, ons herinnerend aan een levenswijze die we sinds bijna twee jaar niet meer kenden en die reeds zo heel ver in het verleden schijnt te liggen. En weinige dagen terug die dorre hete hellingen waar we onder een zelden aflatende kogelregen ons stijf en plat tegen de grond drukten, krampachtig de aarde en het leven vasthoudend. Het was ongetwijfeld een eer voor de Nederlandse bataljons het spits te mogen afbijten. Zo voelen we het nu nog, wel op een andere manier; immers het beeld van die jammerlijk gevallen kameraden, die hun grote verwachtingen hadden zoals wij, zou toch nooit uit onze herinnering kunnen verdwijnen. In de vroege zondagmorgen was het konvooi uit Singapore vertrokken. Maandag 11 Februari stoomde de vloot van vier schepen Straat Banka binnen: het grote grijze troepenschip, het landingsvaartuig met het rollend materiaal aan boord, en de twee escorterende mijnenvegers. De zee die vanaf Singapore tamelijk onrustig was geweest, was in deze smalle zeestraat kalm en blauw bijna als een meer. Heel even was de Sumatraanse kust in het Westen zichtbaar. Voor ons lagen de groene heuvels en 't gele strand van Banka. Links was er een witte vuurtoren op een kleine vooruitspringende landtong. Het was niet bekend of de extremisten hier tegenstand zouden bieden. Achtereenvolgens sloegen twee landingsgolven los van het schip. Recht voor ons uit moest Muntok liggen achter de groene bomen. Het plan was de stad te omvatten. In twee rijen, links en rechts, vraten de landingsboten zich door de branding naar het strand, als twee grijparmen. De afstand was te groot om de landing met het blote oog waar te nemen, maar het was duidelijk dat alles rustig en in goede orde verliep. Twee pelotons van de 5e Compagnie bleven op de Rocksand achter om het voedsel te lossen. We hadden gruwelijk de smoor in, dat we weer eens de achterhoede vormden. Bij de landing op Malakka waren de jongens een gehele dag in de gloeihete zon bezig geweest om de bagage door 't water naar het strand te slepen. Nu werkten we tot laat in de avond bij het licht van grote schijnwerpers om duizenden voedselkisten uit het ruim van de Rocksand naar omhoog te brengen. Weinig konden we vermoeden, dat we, voor het twee dagen verder was, het zwaar te verantwoorden zouden krijgen. Toen we de andere dag meerden bij de enige, houten pier, die de rede van Muntok rijk is, stonden er Japanners - de Jappen van heel Banka bleken in Muntok geconcentreerd - bij onafzienbare rijen voedselkisten. Het was om bewondering voor onszelf te krijgen. Die eerste nacht op Nederlands-Indisch grondgebied brachten we door op de vuile stenen vloer van een verlaten loods, die naar alle zijden open was. Reeds lang zijn we gewend geraakt ons aan de minst gunstige omstandigheden aan te passen. En dan was er nog, ondanks de armzalige enscenering van wat eigenlijk een joyeuze entree had moeten zijn, dat tevreden gevoel van eindelijk op de plaats van bestemming te zijn. In de lichte middernacht, toen ik als eenzame schildwacht rondwandelde tussen de vervallen muren en verwilderde pisangbomen, was er ineens gerucht als van geheimzinnige toebereidselen voor een of andere operatie en de zachte stem van een kameraad fluisterde me toe, dat we de andere morgen zouden vertrekken voor een belangrijke opdracht. Het was een lange colonne die deze woensdagmorgen door de bochtige klimmende straten van Muntok reed met bestemming Pankalpinang, aan de oostkust van Banka. Een rit van 138 km, dwars over het eiland. Het peloton van de 2e Compagnie, dat de kop vormde, voerde het benodigde materieel met zich mee om de te verwachten barricades op te ruimen. Onze Compagnie, de 5e, had tot taak beschermings- en zuiveringsoperaties uit te voeren. In de achterhoede kwamen de nieuwe bestuursambtenaren en als rugdekking, de 3e Compagnie. De inlandse mensen staarden enigszins verbaasd naar de zwaargewapende mannen. Reeds in de eerste kampong buiten Muntok overheerste het roodwitte der republiek. Het zou ons telkens opnieuw opvallen hoe vreemd rustig alle volgende kampongs langs deze kronkelende stille weg waren. Mannen, vrouwen, kinderen, alles was de bossen ingevlucht. De fanatieke roodwitte propaganda was ook hier niet zonder uitwerking gebleven. Het eerste gedeelte van de tocht verliep vlot. De weg was afwisselend goed en slecht, maar steeds kon een behoorlijk tempo gehandhaafd worden, tot we de eerste versperringen bereikten. In het begin bleef het opruimingswerk beperkt tot het verwijderen van enkele lichte boomstammen, die inderhaast waren omgekapt. De fantasie der roodwitte strategen leek me tot dan toe niet bijzonder vindingrijk. Maar de versperringen werden steeds talrijker. Sommige bleken nog heel vers. Eenmaal betrapte de voorhoede twee Maleiers bij het kappen. Een werd neergeschoten, terwijl hij trachtte te vluchten, de ander werd gevangen genomen. Toen de snelle tropenschemer inviel, was Pankalpinang nog 35 km ver. Het was niet veilig de tocht in het duister voort te zetten. We sloegen ons bivak op in een kampong, waar de grote weg naar rechts afboog. Links liep een zandweg door de bossen. De inwoners waren voor het merendeel gevlucht, slechts één Chinese familie liet zich zien. We waren doodop. Bij iedere hindernis was het geweest: van de wagens springen en stelling nemen in het struikgewas langs de weg om het konvooi te dekken. Want overal konden sluipschutters in hinderlaag verwacht worden. Bovendien hadden we de ganse dag zo goed als niet gegeten. Daar kregen we ook nu nauwelijks de tijd voor. Van 8-12 uur moest ons peloton de wacht betrekken. Aan de rand van de kampong werd een keten van dubbelposten uitgezet. De toegangswegen kregen een mitrailleuropstelling. Met de rug tegen de kamponghuizen, het geweer in de aanslag probeerden we de duisternis van het bos voor ons te doorzien. Er hing een loodzware stilte waarin het minste geluid hoorbaar was en het teken kon zijn van een naderbij sluipende vijand. Plotseling - het zal ongeveer 11 uur geweest zijn - kwam er aan de andere zijde van de kampong beweging. We hoorden geschreeuw. Brensalvo's scheurden door de nacht. Een overval dus. Hoe sterk zou de vijand zijn? We konden niets anders doen dan ons verlaten op onze kameraden daarginds. Op je post blijven, wat er ook gebeurt. De Maleiers, op hun blote voeten, sluipen onhoorbaar en kennen het land. Wij vormen de rugdekking voor de jongens die daar vechten. De stilte en de duisternis aan onze kant waren nu des te vijandiger. Het gevecht duurde niet lang. De rust over het dorp was daarna weer even intens als tevoren. Toen we na de aflossing van de wacht terugkeerden, hoorden we dat de aanvallers in twee wagens over de bosweg de heuvel waren afgekomen tot op 50 meter van onze mitrailleuropstelling. Blijkbaar was het een soort verkenningspatrouille. Ze hadden ons op dit punt nog niet verwacht. In het gevecht, dat ontstond hadden de extremisten getracht zich over het bos te verspreiden. Onze jongens rukten behoedzaam op om het terrein te zuiveren. Een gevaarlijk karwei. Tussen de bomen was de duisternis bijna ondoordringbaar. Een sergeant kon nog juist bijtijds een vuurstoot geven met z'n sten toen hij op nauwelijks 1,5 meter afstand een donkere gestalte achter een boom ontdekte met de klewang in de hand. Er werden twee gevangenen gemaakt. De rest nam, met achterlating van de doden, overhaast de vlucht. De buit bestond uit revolvers, (Hollandse!) karabijnen, klewangs, en een kist met onschuldig uitziende flesjes. toen we hiermee later experimenteerden, bleek het een primitieve handgranaat, bij uitstek geschikt voor en nachtelijke overval. De geweldige vuurontwikkeling die plaats had wanneer de vloeistof in de flesjes met de lucht in aanraking kwam, zou onder de nietsvermoedende soldaten slachtoffers genoeg maken. Ik probeerde nog enkele uren te slapen ergens op het erf van een kamponghuis in een bouwvallige ligstoel, waar je met je doodvermoeide lichaam heel behoedzaam in moest kruipen. De stilte van de tropennacht hing over het dorp als een zwaar gordijn, nu en dan opengereten door 't scherpe geblaf van een hond. In de vroege ochtendschemering zette de colonne zich in beweging. Het werd weer hetzelfde karwei als gisteren: versperringen opruimen en bossen afzoeken naar scherpschutters. Op ongeveer 15 km van Pankalpinang stieten we op barricades, die zich over honderden meters uitstrekten. Het scheen nu ernst te worden. Zodra de eerste schoten vielen vlogen we van de wagens om dekking te zoeken in de greppels langs de hoge bosrand. Een mitrailleurschutter en zijn helper renden naar voren. We kregen order het bos te doorzoeken. Terwijl we tegen de hoge berm opkropen, kregen we de goede raad mee uit te zien naar schutters in de bomen. Een mededeling die niet bepaald geschikt is het gevoel van behaaglijkheid te verhogen als de vijandelijke kogels hun "melodie" zingen in vele toonaarden en het dichte struikgewas voor je uit, reeds alle aandacht opeist. Niets is zo afmattend als het langzaam en eindeloos oprukken door een vijandelijk bos waar het gevaar uit alle richtingen dreigt. Na een omzwenkende beweging kwamen we weer aan de weg. In de greppel lag een dode Maleier, een oude kerel, met een gezicht nog grimmig en fanatiek. De rest van de vijanden bleek verdwenen. We klommen weer op de wagens. Enkele km verder was een brug opgebroken. De daders waren zo vriendelijk geweest het materiaal ter plaatse te laten, zodat er zonder al te veel tijdverlies een overgang kon worden gemaakt. Het leek er nu langzamerhand wel op, dat we op georganiseerde tegenstand gingen stuiten. We waren juist kilometerpaal 11 gepasseerd, nog 11 kilometer van Pankalpinang, toen het lieve leven begon. Van de wagens af en in stelling langs de weg, alles in een minimum van tijd. Rechts van ons was een smalle reep bosterrein. Verder naar voren, waar de kop van de colonne was, hield de bosrand op. Er was daar een alang-alangveld dat langzaam opliep tot aan de top van een kale heuvel. Om de heuvel heen boog de weg flauw naar rechts af. Onze sectie moest het bos doortrekken. Er werd danig geschoten, maar het is in dit onoverzichtelijk terrein niet gemakkelijk de vuurrichting te bepalen. Het terrein was buitengewoon moeilijk, de lianen grepen om je borst heen zodat iedere vrije beweging onmogelijk werd. Als hier vijandelijke schutters zaten, hadden we geen schijn van kans. Na het bos kwam een open veld met een minimum aan dekking. Daar kregen we plotseling vuur van links. De jongens hielden zich zo plat mogelijk tegen de grond, sommigen sprongen weer terug tussen de struiken. Tijdens een vuurpauze gingen we op linie vooruit en maakten een omzwenkende beweging tot we de heuvel voorbij het bos in het front hadden. Langs de weg lag een gedeelte van de 2e compagnie. Tussen onze sectie en de weg lag het 3e peloton. Rechts van ons was nog een gedeelte van het 1e peloton. De bedoeling was de heuvel te omvatten. Dus moesten we op de rechterflank tijdens het oprukken een zwenkende beweging uitvoeren naar de weg toe. Voorzichtig gingen we voorwaarts, de bajonet op het geweer, speurend naar vijandelijke schutters in het voorterrein. Wanneer het vuur te hevig werd lagen we geduldig languit tegen de grond, terwijl de kogels over onze hoofden floten en met een zucht om ons heen in het zand doken. Toen we eindelijk boven op de heuvel lagen, hadden we, buiten één gevangene die we maakten, nog geen vijanden gezien. In plaats van verder door te rukken naar de weg die we beneden ons zagen liggen, kregen we bevel om terug te gaan. Weer terug op het punt van uitgang merkten we, dat, anders dan we verwacht hadden, het gevecht nog niet was afgelopen. Het derde peloton lag nog tegenover de vijandelijke stellingen, uitstekend gecamoufleerde schuttersposten, onderling verbonden door onderaardse gangen. We kregen nogmaals dezelfde beweging uit te voeren. Ditmaal vormden wij met ons kleine groepje de uiterste rechterflank. Halverwege de helling bleven we liggen. Het vijandelijk vuur bereikte een hoogtepunt. Daartussendoor blaften onze mitrailleurs. Niet enkel vanuit de heuvelopstelling werden onze jongens beschoten. Ze werden in de rug bedreigd door scherpschutters, die zich in de toppen der bomen tussen het dichte gebladerte schuil hielden. We hoorden het kermen van gewonden, soms de droeve doodskreet van een die dodelijk getroffen werd. Waren het kameraden? Een martelende vraag als je zelf machteloos moet blijven liggen onder vijandelijk vuur. Ik voelde een grote moeheid over me komen. Alsof ik nooit meer die heuveltop daar voor me zou bereiken. En de zon schroeide zo fel; de keel was droog als leer. Reeds gisteravond waren de veldflessen leeg. En in de kampong, waar we overnacht hadden, was geen drinkwater geweest. Niet denken! Alleen maar liggen, languit liggen en rusten. Met het hoofd in de armen. Een gloeiend hete helm als enige beschutting tegen de zon. Een doordrenkte zakdoek die geen zweet meer opneemt. Op dat moment werden we op de rechterflank versterkt door een peloton van de 3e compagnie, die tot dan toe in reserve was gehouden. De omvattingsbeweging werd voltooid. Toen we, voor de tweede maal, de heuveltop bereikten, viel er nog een enkel schot. Juist waar de weg om de heuvel draaide lag in de greppel een auto, doorzeefd met kogels. Dichtbij waren de bloedige lijken van vijf extremisten. Het leek ons onbegrijpelijk hoe deze kerels midden onder het gevecht in onze mitrailleurs waren gereden. Bij de eerste wagens van het konvooi werd appèl gehouden. Van ons peloton ontbrak niemand. De een na de ander zag ik m'n kameraden terug. We vielen neer langs de weg, dodelijk vermoeid. Er werd gefluisterd over gesneuvelden. Dan volgden weer ontkenningen. Ik hoorde de naam van de aalmoezenier noemen. Toen ineens - was het een zacht gefluisterd woord of misschien een vreemde, zekere intuïtie? - wist ik het, dat daar ergens onzichtbaar achter die grote wagen, onze doden bijeengelegd werden. Er viel een benauwende beklemming op ons. Onweerstaanbaar kwam in me de neiging op om die door spreken te verdrijven. Maar het enige wat onze gedachten vervulde was het gevecht en die doden. En daarover kon ik juist niet spreken, nu niet, maar later misschien, als die bloedige ban verbroken was. Ik weet niet hoe het kwam, maar plotseling leek het me alsof we nog eindeloos veel van deze gevechten zouden meemaken voor we Pankalpinang bereikten. En die gedachte maakte me wanhopig. Toen zagen we onze jongens. Van achter de wagen werden ze langs ons gedragen, zo bebloed, het hoofd slap en omlaag hangend, de mond zo pijnlijk vertrokken. Tot dan toe kende ik de dood enkel als een gelaat waarop een zachte hand alle tranen had uitgewist. Maar de dood op en slagveld heeft niets schoons in zich. Daarvoor wordt het jonge, onstuimige leven te ruw en onverwacht afgesneden. Eén luide doodssnik, en dan vloeit het leven met het bloed weg uit de gapende wonde. Waren dat nu m'n kameraden, die ik kort tevoren nog zo levend gezien had? Een, onbekommerd en zorgeloos, een ander met z'n witte haren en jong gezicht. En dan de hospitaalsoldaat, die ik voor het gevecht nog gezien had, vooraan tussen de versperringen met z'n lachend gezicht, klaar om te helpen, waar het zo nodig was. Een vijandelijke kogel had hem vreselijk verwond, terwijl hij trachtte een gewonde te helpen. De lijken van de drie jongens werden op een wagen gelegd om meegenomen te worden naar Pankalpinang. Men zou trachten met de zwaargewonden Muntok te bereiken. Ik had nog even een glimp opgevangen van een, die de heuvel werd afgedragen. Hoe kan de pijn een mens veranderen, ik herkende hem niet. Tijdens het transport stierf hij, evenals die kleine brenschutter wiens mitrailleur op het kritieke moment weigerde. Het kostte hem het leven. Het meest trof ons de dood van onze aalmoezenier. De jongens hadden hem gewaarschuwd, toen hij onder vuur door naar de gewonden wilde kruipen, maar ze konden hem niet terughouden. Terwijl hij een zwaargewonde aan het biechthoren was kreeg hij een schot in de longen, dat geen kans meer liet voor het jonge leven. Stil en gedrukt onder de last van laatste uren klommen we op de wagens. Er restten nog 10 km tot Pankalpinang. We ondervonden geen hinder. De eerste wijk van de stad, die we binnenreden was feestelijk en kleurig versierd met erepoorten, nationalistische leuzen en rood-witte emblemen. De komende zondag zou de nationale feestdag zijn van de Indonesische republiek. Onze komst verstoorde vroegtijdig de feestvreugde. Snel verspreidden de afdelingen zich over de stad. We reden de Europese wijk binnen, die geheel verlaten scheen. Hier hadden de Indonesiërs hun hoofdkwartier gehad getuige de vele opschriften en de rood-witte vlaggen. Het ging alles razend vlug. Van de wagens afspringen, dekking zoeken in de straatgoot en dan een stormloop, half in de verwachting dat de Indonesiërs hun laatste tegenstand zouden bieden. Doch alles bleek bij onze nadering overhaast de vlucht te hebben genomen. Eer ik het me bewust was bevond ik me in een grote ruime bungalow, waar weinige ogenblikken eerder nog een majoor van de T.K.R. woonde. Terwijl de anderen verder gingen, bleef ik als bewaker achter. Het was een mooi huis met veel gemakkelijke meubels. Het gaf ineens zo'n eigenaardig vertrouwd gevoel een pentekening te zien van de Martinitoren te Groningen naast enige typische Hollandse schilderstukjes: een landschap, een zeegezicht. Languit liet ik me neervallen op de gemakkelijke tuinstoelen op de veranda. Binnen sloeg de pendule twee uur. En terwijl ik vocht tegen slaap en vermoeidheid, herinnerde ik me een dag in Dussu Tua, toen we reeds zolang op Malakka gezeten hadden, zonder uitzicht. Na een eindeloze reeks van afmattende marsen, en oefeningen in de broeihete rimboe, drong zich onweerstaanbaar, ongeveer zoals een fata morgana in de woestijn, het beeld aan me op van een comfortabel Europees huis, ergens in ons eigen Indië, waar ik de gast zou zijn van onze eigen Nederlandse mensen, waar ik, al was het maar eenmaal in ons harde pioniersleven, de weldoende sfeer van een beschaafd en huiselijk milieu zou ondergaan. Misschien zou ik er in de luwte van de avond weggedoken zitten in een luie stoel, uitziende over een prettige tuin met groene grasvelden onder de palmen, pratend over andere dingen dan over de veldoefening of de patrouilletocht van de voorbije dag. En nu was er een huis, zoals ik me had voorgesteld, was er een atmosfeer intens stil en vredig, lagen er frisgroene grasgazons in de namiddagzon, verder weg zong de wind door de bomen, juist zoals hij doet wanneer het lente is in het vaderland. Maar het moet reeds lang geleden zijn, dat de Europese bewoners door de Japanners werden weggehaald. En ergens in Pankalpinang lagen de dode kameraden, Limburgse, Brabantse jongens, te wachten op een graf.

OP WACHT IN PANKALPINANG

Eenmaal aangekomen in Pankalpinang zijn we de eerste tien dagen niet uit de kleren geweest. Nachtrust was een luxe geworden; iets uit een ver verleden, een tijdperk dat volledig voorbij moest zijn. Het is wacht kloppen: de ganse nacht en de ganse dag; maar vooral de nacht ! Dat betekent urenlang doodstil liggen en je niet verroeren...... tot je ruggengraat een al pijn is. En het ene oog dichtknijpen; en dichtgeknepen houden; negen maal wring je met bovenmenselijke inspanning je pijnlijke oogleden weer open om de tiende keer onherroepelijk in te dommelen. De ergste plaag is echter nog altijd: de muskiet!.... die meedogenloos en zonder respijt zijn luchtaanvallen blijft volvoeren op een weerloos soldaat, en in de duistere stilte van de tropennacht een mens tot het uiterste kan brengen. Voor ons uit liggen de laatste witte huizen van de Europese wijk. En vlak daarachter, verscholen tussen het dicht opgroeiende struikgewas en de pisangbomen met hun grote bladeren, liggen de kampongs waaruit misschien de onzichtbare stille dreiging kan opkomen. Toen ik diep in de nacht van mijn wachtpost terugkeerde, besefte ik ineens dat ik vandaag jarig was.

Onze gesneuvelden begraven in Pankalpinang

Vorige week vrijdag, daags na onze aankomst in Pankalpinang met de colonne die vanuit Muntok optrok, hebben we onze gesneuvelde kameraden begraven. Op een legerwagen, het rood, wit en blauw over hun dode lichamen, werden ze naar het kerkhof gebracht, buiten de stad. Er was een goed bewapend escorte; zelfs het kerkhof was niet veilig. Het had me dagen tevoren erg dwars gezeten dat we hen geen behoorlijke begrafenis konden bezorgen, nu onze aalmoezenier ook tot de gesneuvelden behoorde. Maar er was een Chinese pastoor in de stad, de enige priester die op Banka uit de Japanse bezetting was overgebleven. Op sobere, maar voor ons in deze omstandigheden toch indrukwekkende wijze heeft hij aan drie dappere Nederlandse jongens het begrafenisceremonieel van de moederkerk voltrokken. De majoor kon slechts met moeite enige woorden spreken aan het graf van onze eerste gevallenen. Het was voor de jongens een kwaad moment, toen ze hun kameraden voorgoed in de vreemde Indische grond zagen verdwijnen, ver van het vaderland.

Vrijw.K. van Emmerik
Soldaat I
5e compagnie
III(7) Bataljon Regiment Stoottroepen


50: Palembang - Moesi, overtocht voor 50
cent. (onbekenden).


51: Palembang - Moesi, vliegboot landt, is
er post van thuis?.


52: Palembang - Moesi, gezien van af de
watertoren.


53: Palembang - Moesi, de Pelikaan met onze
vervoermiddelen.


54: Palembang - Moesi, de Pelikaan met onze
vervoermiddelen.


55: Palembang - Moesi, woonboten.



56: Palembang - Pladjoe, Kees en Henk van
Emmerik bij olie-opslag.


57: Palembang - Pladjoe, olie-opslag.



58: Palembang - Pladjoe, Kees van Emmerik
links boven.


59: Palembang - Pladjoe, voor 50 cent naar
de overkant.


60: Palembang - Pladjoe, olierafinaderij.



61: Palembang - Pladjoe, olie; opslag en
verwerking.


62: Praboemoelih, kampong.


63: Praboemoelih, Wil Jeuken, Kees van
Emmrik en Piet Peeters.

64: Praboemoelih, telefooncentrale 7 RS
naast de moskee.


Dit was de taak die ons wachtte.......

Patrouilletocht op Banka.


Het was de tweede dag van onze driedaagse patrouilletocht ergens in de besloten binnenlanden van Zuid-Bangka. In het begin van de week was men van Toboali, een kustplaatsje waar het bureau van onze compagnie gevestigd was, komen afzakken naar onze kampong, het eenzame, armelijke Pergam, met een kompas en een stel kaarten waarop "zo ongeveer" een driedaagse voettocht was uitgestippeld. Of het klopte, wist niemand; de kaarten waren nog van "'33". "Zie maar dat jullie er wat van maken". En zo werden wij voor drie dagen de rimboe ingestuurd. Elf van ons, met heel ons hebben en houden op de rug; om in deze gebieden, nog steeds nu en dan onveilig gemaakt door bendes die van uit 't nabijgelegen Sumatra opereerden, de inlanders te doen zien, dat het Nederlandse gezag geen schijn was. Tevens was onze patrouille bedoeld als een verkenning van mensen en nederzettingen, die vier, vijf jaar onder Japanse druk waren geweest.

Nu was die kleine colonne reeds menige kilometer door de hitte en eenzaamheid van dit Indische land getrokken, van de ene kebon naar de andere. Langs het smalle, ongemakkelijke voetpad, dat uur na uur van de ene kebon naar de andere voerde. Het was bepaald geen wandeltocht geweest. Vooral die tochten door de eindeloze onbeschutte kebons met hier en daar een hut, waar 't pad bovendien nog extra slecht pleegt te zijn, vol kuilen en verkoolde boomstronken waar men telkens het moede lichaam weer over heen moet dwingen. Daarna waren de koele bospaden een ware medicijn geweest voor de verhitte hoofden en zwetende lichamen.

Ergens bij een eenvoudige tani, stil en teruggetrokken als het land zelf, hadden we deze middag toegezien hoe de vrouwen met rustige zorgen en gebaren een maaltijd voor ons bereidden van rijst en vis en olie en sambal, dat - onwennig - brandde in de keel maar niettemin heerlijk was. Daarna hadden we ons met pijp en sigaret behaaglijk geïnstalleerd, in de lome rust van de zonnedag. Nu wachtte, recht voor ons uit, de donkerte en duisternis van bos en moeras. Het lijkt me bijna onmogelijk om 'n inwoner van meer geciviliseerde en ontwikkelde streken uit te duiden hoe ze zich zo'n "voetpad" zouden moeten voorstellen. De inlander ergens uit de kebon, die als gids een eindweegs met ons zou meegaan, is er van jongs af aan mee vertrouwd en loopt snel en lenig voor ons uit over de dikke en dunne boomstammen die nu eens diep in 't moeras wegzakken onder het gewicht, dan weer in de lucht hangen als 'n zweefbrug van de ene boomstronk naar de andere. Voor ons, met zwaar beslagen schoenen aan de voeten, en een behoorlijk wegende uitrusting op de rug, betekent dat een moeizaam ingespannen balanceren, vaak honderden meters aan een stuk, over dit primitieve pad, dat jaar na jaar gladder en glibberiger geworden is door de moerasvochten en door de tred van vele rappe voeten. In de lome atmosfeer na de middagmaaltijd en de rust was het evenwichtsgevoel blijkbaar niet zo spoedig hervonden. Tenminste, na de eerste wankele schreden op het "slappe koord" lag ik op m'n rug in 't moeras, met de benen in de lucht. Het gezicht nog half vertrokken in de tevreden grijns van de middagrust. Het moet natuurlijk wel een komisch gezicht zijn, iemand in een dergelijke positie te zien, hulpeloos en niet in staat op te komen, vanwege de last op de rug. Vooral wanneer men zelf veilig stond. Daarom kon ik enig leedvermaak niet onderdrukken, toen later op de dag meer slachtoffers vielen.

In de late middag bereikten we het stroomgebied van de Soengai Kapok. Toen we vanuit de duisternis van het bos, weer de lichte dag binnentraden lag de ganse vallei voor ons open: een moeras- en waterland van verrassende schoonheid in de verzegelde omslotenheid dezer binnenlanden. Terwijl we uitrustten in de schaduw van de dichtbegroeide oever, echode de vreemde hoge roep van de inlanders, heel ver weg, over de stille zonnige watervlakte, veelvoudig weerkaatst door de omringende bossen, en ten laatste van verre beantwoord door een zelfde hoge, telkens herhaalde kreet van vissers die de rivier opkwamen in uiterst broze prauwtjes, eigenlijk niet berekend op ons gewicht en onze onhandigheden. Maar we zaten nu eenmaal voor de keus: óf de rivier afzakken tot waar volgens onze kaart het pad zich aan de overzijde voortzette; óf dezelfde weg terug te gaan. Diep, donker en koel kronkelde de rivier zich door de dichtbegroeide watertuin waar het water warm was en roodbruin kleurde tussen de groene wierplanten, en waar een enkele koninklijke palm zijn waaierkroon hoog en trots ten hemel hief. Ongemakkelijk, in de kleine bootjes, voorzichtig om ze niet te doen kantelen, voeren we stroomafwaarts, daarna langs een kreek die het moeras in liep. Boven ons zeilden grote watervogels in een sierlijke vlucht naar de horizon van groene ondoorzichtelijke bossen. Even wees een inlander ernaar en noemde ons de naam. Dan was de stilte weer volkomen. Soms sleepten we ons bootje over een omgevallen boom die de kreek afsloot. Ten laatste voeren we een hoog en koel bos, uit de schemerige oertijd binnen, waar majesteitelijke bomen van eeuwigheid af gegrondvest schenen in 'n donker mysterieus water.

We namen afscheid van de mensen na eerst een van hen, wiens benen vol zweren zaten, verbonden te hebben. Kort daarna bereikten we Kelèkak Kampet, 'n kebongehucht van enkele verspreide hutten waar we die nacht zouden doorbrengen. Op 't hoogste punt van de kebons, met 't uitzicht over de vallei en het moeras, werd 'n hut voor ons ingeruimd, de laatste van de Kelèkak. Het eerste waarnaar je verlangt na zo'n dag van gestaag trekken, is het lichaam te bevrijden van kleren die stinken naar zweet en moeras en te verfrissen aan 't koele water van een beek of 'n welput. We aten de ananas en eieren die de mensen ons brachten. Daarna klauterden we langs een primitief trapje onze hut in, waar we ons, door en door moe, languit op de rug legden, dicht tegen elkaar, want zo'n op palen gebouwde woning biedt niet veel ruimte. Zo lagen we te staren in 't half duister waar een kleine harsfakkel op de ineengevlochten wanden spookachtige schaduwen wierp van de mannen uit de Kelèkak, die de vreemde onbekende soldaten waren komen begroeten en nu zwijgend rond 't licht waren gehurkt. En toen, in de nachtelijke stilte die inlander en vreemdeling evenzeer omgaf, hoorden we van verre 'n schone vreemde muziek die langzaamaan aangroeide en nader bij kwam, 't kebonpad op naar onze heuvel en onze hut. Tot we de muzikant in de deuropening zagen afsteken tegen het lichte schijnsel van de maannacht. Hij zette zich met z'n krontjong bij ons neer, en terwijl ons zwijgen duurde, speelde hij onvermoeid en virtuoos z'n telkens weerkerende speelse melodieën, waarnaar de toehoorders uren lang kunnen luisteren zonder één geluid te geven: 'n symbool van de onverstoorbare rust van dit land. Onder de zachte drang van deze muziek ging ik in mijn geest weer terug heel die lange en warme weg die we gegaan waren van hut tot hut, van kebon tot kebon, waar de mensen eerst schuw en terughoudend waren geweest bij het zien van die onbekende mannen, maar die reeds na de eerste vriendelijke groet begonnen los te komen. En hoe geheel anders had bij 't afscheid hun "Tabeh, toean" geklonken en 't "Slamat djalan", nadat we hadden gerust onder hun dak en met hun gegeten hadden en gedronken. We hadden hun van onze sigaren gegeven en hun strootjes geprobeerd. We hadden ons verstaanbaar gemaakt met ons gebrekkig Maleis en hadden de kinderen toegelachen. En overal hadden we de wonden en zweren verzorgd. Ik dacht aan de vorige avond, toen we in de hut van een tamelijk welgestelde tani, gehurkt in een halve kring rond 'n harslichtje zacht en stemmig onze liederen gezongen hadden uit een ver vaderland, terwijl de boer met z'n vrouw en de buurlieden aandachtig toeluisterden en de kinderen met hun glanzende bruine lijfjes ons verwonderd aanstaarden. Later in de avond stond ik buiten op de gammele pendopo van bijeengebonden dunne takken waar ik me nauwelijks durfde verroeren, uit angst er door heen te vallen. En uitziende over dit dal waarboven de maan rees, bedacht ik dat het zo goed was. Daar ergens aan de horizon moesten de bergen van Koba liggen, die overdag blauw en nevelig waren. Verder weg naar 't noorden lag de heuvel van Petaling waar de lijken reeds lang waren verdwenen.

En op 't kerkhof van Pankalpinang stond nu 'n rij witte houten kruisen in 't maanlicht, waar onze eigen jongens lagen. En toen wist ik het ineens heel duidelijk: dat dit een avond was vol goede beloften. Dat dit de schone vervulling was van een taak die zoveel maanden geleden, weinige dagen na onze landing op dit eiland, langs de gebarricadeerde weg van Muntok naar Pankalpinang in bloed en haat scheen te zijn aangevangen.........

Naschrift.

Bijgaand een herinnering die ik neerschreef bijna 50 jaar geleden. De patrouilletocht waar het over ging, vond plaats omtrent 22 juni 1946 (datum in mijn dagboek van destijds).
Eerder dat jaar, in februari, landde ons 3e Bataljon Stoottroepen op Banka, dat toen nog door de Japanners was bezet.


Kebons: dat was de bewerkte grond.
Kelèkak: een verzameling hutten; dus: een gehucht. De hutten waren gebouwd op palen om ongewenste bezoekers, b.v. dieren uit 't woud, buiten te houden.
Bij Petaling, elf kilometer van Pankalpinang, sneuvelden de eersten van onze jongens.


65: Praboemoelih, inspectie telefoonlijnen.


66: Praboemoelih, reparatie telefoonlijn.


67: Praboemoelih, olieboorplaats.


68: Simpang, omgeving.


69: Simpang, station (demarcatielijn).



70: Simpang, Piet Peeters, Joep van de
Mortel, Jan Meyer en Kees.


71: Simpang, Kees van Emmerik en Kees de
Groot op brug.

72: Simpang, dagelijks gevecht van Wil
Jeuken met Kees de bok.

73: Talang Djimar, boortoren.



74: Talang Djimar, aandrijving van de boor
op boorplaats.


75: Tambangan, Kampong.


76: Tjetep, onze djongos met Miep.


77: Sumatra, Kees de Groot: brenschutter 1e sectie.



78: Sumatra, schoon water, een eerste
behoefte tijdens actie's.


79: Sumatra, met de fles grootgebracht door Piet Peeters.


Soldaat en politiek.

Nederlandse bataljons uit Malakka zijn op Java geland, een maand nadat wij als eersten naar Indië gingen. Het bericht kwam toch nog onverwacht. Ik ben benieuwd wat voor invloed het zal hebben op de Nederlands-Indonesische betrekkingen. Sinds ik aan boord van de Alcantara, nu al weer bijna een half jaar geleden, de eerste verontruste berichten over Indië hoorde, heeft zich in de oost heel wat afgespeeld.Wellicht kunnen wij hier in Indië een eigen bijdrage leveren tot een vruchtbare gedachtewisseling over het Indië probleem. Ik wil me in 't geheel niet voorstellen als een rasechte Indisch gast of Indiëkenner, want dat ben ik helemaal niet. Daarvoor ben ik te kort hier en heb ik te weinig studie van Land en Volk gemaakt. Maar met dat al houd ik toch oog en oor wijd open. Ik meen dat ook de Nederlanders in Indië enigszins anders tegenover het grote probleem staan dan de mensen in het moederland, juist omdat zij met Indonesiërs en andere bevolkingsgroepen één groep vormen; één maatschappij van eigen structuur, die zich op den duur zó zal en moet ontwikkelen (vanwege haar, nog steeds toenemende belangrijkheid in de economische wereldconstellatie) dat ze niet onder, maar gelijkwaardig naast onze eigen Nederlandse maatschappij zal komen te staan. Gelijkwaardigheid en gelijkberechtigdheid in één koninkrijk is dan de logische consequentie. Ik meen dat juist ook Indische Nederlanders dit zullen toejuichen. Volgens hen werd de Indische maatschappij nog maar al te zeer met Haagse ogen bekeken. Een Nederlands parlement had tenslotte alles te zeggen, en dat dit Nederlandse parlement, ondanks de aanwezigheid van Indië-experts, niet altijd open oog had voor Indische problemen, bleek voor vele Indische Nederlanders onder meer uit de wijze waarop tot het laatste toe de defensiekwestie behandeld werd. Het is duidelijk voor al wie enigszins van nabij met de huidige mentaliteit van de Indonesische bevolking heeft kennis gemaakt, dat slechts een progressieve houding Indië voor ons kan herwinnen, niet in een oude, vóóroorlogse verhouding van ondergeschiktheid, maar in de nieuwe, praktisch enig mogelijke verhouding van vrijwillige samenwerking. Een gelovig christen zal de gezagskwestie allereerst principieel stellen. Het wettig gezag is het door God gewilde, dat gehoorzaamd moet worden. Maar het vraagstuk Indië is, zoals alle praktische vraagstukken, in laatste instantie een van praktisch staatsmansbeleid. Men kan uitgebreid discussiëren over het al of niet geoorloofd zijn van de Indonesische revolte. Maar met een staatsmanskunde die de Indonesiërs enkel beschouwt als rebellen en die halsstarrig elke vorm van samenwerking met de "Repoeblik" verwerpt, is, gezien de huidige politieke constellatie, niets te winnen. Er is, geloof ik, geen enkele bevolkingsgroep in de Archipel, de meest onontwikkelde zonder enig politiek besef natuurlijk buiten beschouwing gelaten, die de oude verhoudingen terugwenst, zelfs niet de meest Nederlands- en Oranjegezinde als Ambonezen en Menadonezen. Dit is een feit dat na drie jaar Japanse bezetting onloochenbaar is. Wat meer is, de tegenstelling tussen extremisten en gematigden begint zich duidelijker af te tekenen, of misschien nog niet duidelijk genoeg. Soetan Sjahir is op 't moment wel te rekenen als de exponent van de groep die samenwerking wil. Wat in 't bijzonder Banka betreft: de inheemse bevolking is rustig van aard en staat niet afwijzend tegenover ons, op enkele roerige kampongs na. De Indonesische veldpolitie, in dienst gebleven tijdens de Japanse overheersing en het daarop volgend Republikeins bewind, is ons loyaal. We hebben in 't begin met jongeren gesproken, die dus wel geacht mogen worden een vooruitstrevende groep te zijn. Het bleek voor hen een teleurstelling dat de Nederlanders het bestuur hadden overgenomen, al gaven ze toe dat orde en rust veel beter gehandhaafd werden. Ze zeiden uitdrukkelijk dat de Maleise bevolking de Nederlanders niet vijandig gezind was. Degenen die bij onze komst tegenstand boden, waren hoofdzakelijk vreemdelingen, pemoeda's en T.K.R.-leden, van Sumatra afkomstig. Ook de onregelmatigheden die van tijd tot tijd nog voorkomen, zijn voor hun rekening. Er was reeds vóór wij kwamen, een zekere tegenstelling tussen hen en de bevolking. De Indonesische resident hielden ze gevangen, tot hij door onze jongens bevrijd werd. Na de bezetting van Pangkalpinang en andere plaatsen langs de oostkust, trokken zij zich terug op Tandjong Berikat, een landtong in het zuiden, die door moerassen en rotsblokken een natuurlijke vesting vormde.

Naschrift

Bijgaande beschouwing schreef ik in maart 1946. Nu, bijna vijftig jaar later, mag het misschien als een aanwijzing dienen dat ook soldaten - zelfs zonder rang - kunnen denken. Vervolgens blijkt hieruit dat bijvoorbeeld ook onder een toch niet onbelangrijke bevolkingsgroep als de Indische Nederlanders dezelfde gedachten van gelijkwaardigheid, gelijkberechtiging en samenwerking leefden. En ik vraag me nog steeds af - daarbij ook terugblikkend op de laatste halve eeuw - of Indonesië niet beter af was geweest met een ontwikkeling zoals hier geschetst. Per slot van rekening stond ook een groot deel van de overige bevolking niet achter Soekarno.



WANT DAT IS NIETS VOOR EEN SOLDAAT.

Portret van een mens met zijn verveling en walging en kleine vreugden.

Twee uur na middernacht. Post 12. Een tent ergens langs de Moesi. Een eenzame schildwacht die tevergeefs tracht uit te zien over de zwarte rivier. M'n twee kameraden slapen gekleed op houten britsen, een korte rust tussen de wachturen door. De regen valt eindeloos en hevig. Met z'n nevelig scherm en z'n eentonig geluid heeft hij ons volledig afgegrensd van de rest van de wereld. Op de stroomdraad achter de draadversperring dansen speels hier en daar geel-blauwe vlammetjes. Groter en tegelijk weldadiger eenzaamheid lijkt me haast niet denkbaar.
Wachtkloppen in de hete middagzon ergens op dit stoffige, stinkende oliecomplex; wachtkloppen tot voor de moede ogen het heelal één schitterende, blinkende warreling wordt rond een laaiend middelpunt: een onnozel platgetrapt conservenblik op de grond voor 't wachthuisje, dat het zonlicht fel weerkaatst. De zon perst alle denkkracht uit je weg. En aan deze wachturen komt geen einde.
Dit wachtkloppen, ja, hoeveel uren van ons leven heeft dat al niet uitgemaakt. En toch is het maar één kant van het leven van dat leger van onbekende, doodgewone jongens dat hier ver van huis het Nederlandse volk in al z'n geledingen vertegenwoordigt: boeren, studenten, arbeiders, kantoormensen, mijnwerkers, waarvan er sinds ze in Indië voet aan wal hebben gezet, bijna iedere dag gesneuveld zijn. Er zou nog zoveel te schrijven zijn over hun leven. Geen opgeschroefde heldenverering. Maar het portret van 'n mens met z'n verveling en walging en kleine vreugden die zwetend en zwoegend z'n eindeloze wachtjes klopte, afmattende patrouilles liep, vloekend omdat er nooit een einde aan scheen te komen; die zich in periodes van gedwongen nietsdoen dodelijk verveelde in een ongezellige kazerne of ellendige barak, die zich gruwelijk kon ergeren over alles en nog wat, over meerderen die hem niet begrepen, over burgers die hem met de nek aankeken ofschoon ze hun veiligheid toch aan hem te danken hadden, over voeding die zo slecht was, of er helemaal niet was, ja, waarover niet! Een man die meestal heel onverschillig deed , maar vaak bang was, soms laf, en misschien een enkele keer een held; die vernietigd en gedood heeft omdat het moest, en die gedood werd ook al omdat het moest. Het is het leven van die echt levende mens, het diep menselijke en toch alledaagse (want zich iedere dag herhalend) waardoor deze wereld en heel dit wereldbestel in Gods plan zin en betekenis krijgt. Is het niet de moeite waard om deze zin van ons leven te peilen?
Zolang ik soldaat ben (nu al twee en een half jaar; waar blijft de tijd?) heb ik me afgevraagd: Waarom? De vraag naar het motief heb ik me steeds gesteld. Die vraag was voor ons een belangrijke. Het antwoord hierop behelst immers tevens een rechtvaardiging van onze vrijwillige dienstneming. Toen de bevrijding van het vaderland voor de deur stond, was er één allesoverheersende gedachte: dat voor ons de tijd om zalig en veilig van de vrijheid te genieten nog allerminst gekomen was. Het was moeilijk te verdragen dat wij veilig en comfortabel zouden leven, terwijl aan alle fronten in Europa en de Pacific dagelijks duizenden jonge kerels die van het leven hielden zoals wij, uiteen werden gereten of langzaam dood bloedden. Er stak iets in van een saamhorigheidsgevoel met de jeugd van alle vrijheidslievende landen. Waarom zijn wij tenslotte, toen de strijd in Europa voor ons was afgelopen, naar Indië gegaan? Ongetwijfeld was door het zwerven over vreemde landen de zin voor avontuur in ons wakker geworden, de drang naar expansie, het streven om de horizonten van het leven veel verder uiteen te leggen. Dezelfde rusteloze bezetenheid waardoor onze voorvaderen alle wereldzeeën zijn opgejaagd. Maar ik ben vast overtuigd dat er meer was. Het besef dat er ook daarginds, in het door oorlog en Japanse bezetting geteisterde Indië, "iets" te verrichten viel, misschien wel iets "groots"!
Ik moet eerlijk bekennen dat er na anderhalf jaar weinig van onze oorspronkelijke begeestering is gebleven. Zeker, we doen ons soldatenwerk. Zelfs doen we het nog altijd goed. Maar de desillusies waren al te talrijk. En dan de slepende politiek die onze geestelijke horizon zozeer heeft vervaagd en zonder uitzicht heeft doen zijn. We voelen ons vaak nutteloos; het ergste wat ons kon overkomen omdat we juist hierheen gekomen wijl er iets te verrichten viel. En ondanks dat en zonder te vervallen in al te mooie gekleurde verhalen: de Nederlandse soldaat heeft in Indië niet alleen gevochten. Hij heeft ook de inlandse bevolking beschermd tegen terreur. En waar de oorlogsjaren slechts wonden en zweren en geraamten hadden achtergelaten liet hij de mensen met wie hij in aanraking kwam, delen in zijn medische verzorging. Als ooit weer de Indonesiërs het volle vertrouwen in Nederland zullen herwinnen, zal het aandeel van de Nederlandse soldaat daarin niet het geringste blijken. Maar intussen weten wij vaak geen raad met ons zelf; hebben wij dikwijls het gevoel alsof alles onder ons wegzinkt. Slechts iets is gebleven, wat onder geen enkele storm bezweken is. Noem het kameraadschap of hoe dan ook. Het is in ieder geval 'n Saamhorigheid, 'n gevoel van verbondenheid dat de sterkste band bleek die ons ook nu nog samen houdt. Het is niet iets om er ontroerende lofliederen op te zingen. Want dat zou maar een vals geluid zijn. Het is geen beminnelijke of lieftallige deugd want dat is niets voor een soldaat. Het houdt niet in dat we niet tegen elkaar misdoen en tekort schieten in broederlijke liefde, rechtvaardigheid en misschien wel alle deugden. Alle frontsoldaten uit de grote wereldoorlogen moeten iets dergelijks hebben ervaren. Saamhorigheid, ja, omdat we allen buiten de nette, welvoeglijke burgermaatschappij staan; omdat we dag in dag uit samen hebben rond geploeterd in modder en moeras en vele kilometers rimboe hebben doorgeworsteld, geheel onder ons en geheel op elkander aangewezen; omdat ik tenslotte als de strijd daar is, doodgewoon weet wat ik heb aan de kameraad naast me. We zijn wel eens geneigd om over onze Indische tijd te spreken als over verloren jaren. In zekere zin is dat zo. Wanneer wij demobiliseren, zullen de meesten van ons niet kunnen zeggen dat ze er op vooruit zijn gegaan wat hun toekomst betreft. Maar de moeilijkheden en desillusies hebben niet nagelaten een reactie op te roepen, die als een groot winstpunt valt aan te merken. Doorzettingsvermogen en de vaste wil om iets van het leven te maken en zich niet door de eerste de beste teleurstelling te laten neerslaan. Wellicht dat dit van enig nut zal blijken voor onze vaderlandse maatschappij, die ons zeer lief is, maar die in sommige opzichten het verwijt van burgerlijkheid wel eens verdient. Het is wel aan te nemen dat knapen die vele en verre landen gezien hebben, een bredere mondiale kijk op heel wat dingen gekregen hebben. En inderdaad werd onze geestelijke horizon verruimd door de aanraking met vreemde, totaal andere levenssferen. Misschien zal dat goed merkbaar zijn wanneer straks duizenden jonge Nederlanders naar huis terug komen. Ik meen dat ook dit een winstpunt zal zijn.

Naschrift

Bijgaande beschouwing schreef ik tussen patrouilles, wacht lopen en allerlei ander soldatenwerk door. Dat was omstreeks maart-april 1946. Het was de periode van moeizaam herstel na de Japanse capitulatie. Het machtsapparaat waarover de Regering beschikte, bestond - naast de K.N.I.L.-militairen - voornamelijk uit de oorlogsvrijwilligers uit Nederland die zich gemeld hadden voor een taak in Indië: het brengen van orde en vrede in het door de Japanse bezetting geteisterde Indonesië. Die vrijwilligers waren georganiseerd in de Lichte Infanterie Bataljons die spontaan waren opgekomen uit het verzet. Een deel daarvan had nog in geallieerd verband deelgenomen aan de strijd tegen de Duitsers. Zo hebben bijvoorbeeld de Stoottroepen meegevochten aan een front dat in grote lijnen liep langs Maas en Waal en verder dwars door Duitsland.


Vrijw.K. van Emmerik
Soldaat I
5e compagnie
III(7) Bataljon Regiment Stoottroepen


80: Sumatra, ongemakkelijke route tijdens
politionele actie.


81: Sumatra, vernielde brug tijdens opmars
1e politionele actie.


82: Sumatra, ondersteuningscompagnie
tijdens 1e politionele actie.


83: Sumatra, buitgemaakte wapens.



84: Java, Tandjoeng Priok, vertrek naar Nederland.



85: Egypte, Aden: Kees van Emmerik in de hete haven.


86: Egypte, Aden: gezicht op haven.


87: Egypte, Suez: Sueskanaal.


88: Egypte, Sues: Controlepost in het Suezkanaal.


89: Egypte, handel in haven.


90: Rotterdam, eerste begroeting op de Nieuwe
Waterweg.

91: Rotterdam, haven.


92: Rotterdam, haven.


93: Rotterdam, afmeren in de haven.


94: Rotterdam, ontvangst met muziek op de kade.


Idylle aan de waterkant.

Dinsdagmorgen, 17 december 1946

Het is afgaand getij en 't water is sterk teruggelopen. Ik patrouilleer op en neer over de betonnen kade langs de Moesi, de laatste post vóór Republikeins gebied. Een paar kinderen: twee jongens en een meisje, lopen op hun blote voeten door de brede goot met grauw slijk die bloot is gekomen. Deze kinderen met hun blond voorkomen en hun Indisch accent spelen zorgeloos op 'n wijze als men alleen zou verwachten van kinderen uit 'n betere wereld die nooit oorlog, bezetting of interneringskampen hebben gekend. Ze leven met hun ouders en enkele employees van de maatschappij, plus 'n handjevol soldaten op de uiterste rand van 'n beschermd gebied, in 't zicht van de "republikeinse" grond, als 't ware een vooruit geschoven post. Het geeft wel 'n prettig gevoel, deze kinderen hier te zien. Ze zijn zo ongedwongen, helemaal niet verlegen, en toch uiterst beleefd. Nu komen ze op de houten pier, die de rivier in steekt, bij onze jongens, die daar zitten te hengelen in het luttel vrije uurtje dat ze nu hebben. Het meisje in haar licht blauw jurkje gaat zitten in een bevallige, gracieuze beweging, en ze is zich helemaal niet daarvan bewust. De twee jongetjes, enkel gestoken in katoenen kruippakjes, proberen met hun hengeltjes de grote serieuze vissers na te doen, maar het lukt hen met geen mogelijkheid hun aandacht erbij te houden. De jongste stelt ons van die leuke naïeve vragen, waarop z'n zusje hem zusterlijk terecht wijst. Even later zijn ze ernstig aan 't onderhandelen met een Maleise visser die in z'n bootje onder de houten pier is doorgevaren. Het is kostelijk om ze bezig te zien, en vooral om naar hun Maleis te luisteren, waarin ze heel wat vlotter zijn dan wij, trage mensen uit 't stijve Noorden. Gemoedelijk over de steigerrand geleund proberen ze van de visser een kleine sampan los te krijgen. Hij belooft er over enkele dagen een te komen brengen in ruil voor rijst en brood. De hele idylle is voor mij 'n verademing die de wacht in de warme zon ongemerkt voorbij doet vliegen.

Kees van Emmerik, mei 1994


Post 5.

11 december 1946

Vanmorgen hebben we wachtposten verwisseld met 't 2e peloton. Deze post 5 waar ik nu sta ligt in een eenzame uithoek van de concessie waar de olie het nog niet heeft kunnen winnen van de vrije ongebondenheid ener wilde natuur. Op nog geen 100 meter achter de post hoor ik nu en dan wilde varkens knorren en wroeten. Het moeras achter de post is gevuld met paraffine, die overdag in de hete zon vloeibaar is als water. Tegen de avond vormt zich een dun vliesje alsof 't gaat vriezen. Tegen de morgen is de laag zo dik dat je over zou kunnen lopen. Gisteren stak een knaap van een zwijn de weg over, om daar tegen de stroomdraad op te vliegen. Het dier vloog over de kop en nam onder luid gekrijs de benen. Voor en achter ons liggen moerassen, rechts en links prikkeldraad en hoogspanningsleidingen. En een stelling waar ik 's nachts in kan kruipen. Recht voor me uit loopt 'n weg, "vijandelijk" gebied, naar Kampong Marianne, 'n "verdachte" Kampong, waar geen Europeaan zich waagt omdat hij daar z'n leven niet zeker is. Iedere dag komen langs deze weg de koelies uit deze Kampong in groepjes afgezet, naar hun werk op de raffinaderij. Samen met twee man van de bedrijfspolitie - 'n Maleier die rood-wit op z'n pet en op z'n borst draagt, maar overigens niet ongeschikt lijkt, en 'n Brits-Indiër die doodsbenauwd is voor alles wat zich buiten de versperring afspeelt - moet ik de werklui controleren. Als zo'n groep de post passeert, zijn er wier Merdekagroet luid en kennelijk uitdagend klinkt, in de trant van : "Heil Hitler" of "Duce, Duce", terwijl anderen haastig en binnensmonds vriendelijk prevelend langs komen. Even later komt op z'n eentje een oude man die ons z'n Merdeka heel vriendelijk toevoegt, terwijl hij geheel uit eigen beweging z'n barang laat zien ter controle. Waar ligt de grens tussen verbeten vijandigheid en vriendschappelijke tegemoetkoming? Ik blijf onverstoorbaar. Het beste is niets te laten merken, rustig en kalm te doen, wat je doen moet, en tegelijk op je qui vive te zijn.


"En vergeet vooral niet je militaire hoofddeksel...!".

Het waren de Lichte Infanterie Bataljons, meestal spontaan opgekomen uit de ondergrondse beweging na de bevrijding, eerst van het Zuiden, later van de rest van het vaderland, wier taak het werd als machtsapparaat van de Indische Regering op te treden in de periode van moeizaam herstel na de Japanse capitulatie. Samen met ons 1e Bataljon, met II-13 R.I. en II-14 R.I. verlieten wij, Stoottroepers van het 3e Bataljon, als eersten Nederland met bestemming Indië. Politieke strubbelingen met de Engelse militaire machthebbers in het Verre Oosten leidde tot een gedwongen maandenlang verblijf op Malakka. Maar begin 1946 was het ons bataljon, dat als eerste van de Koninklijke Landmacht voet aan wal zette op Nederlands-Indische grond. Zoals wij ook onder de eersten waren geweest die, na de ondergrondse strijd van de Indische jaren, bij de bevrijding van het Zuiden van Nederland vochten aan een front dat liep langs Maas en Waal en dwars door Duitsland. Dit alles is geen bluf of ijdele roem, als zouden wij meer en beter soldaat geweest zijn dan andere Nederlandse soldaten. Integendeel. Maar wij hebben reeds een corpstraditie waar we trots op zijn, en de eer van de voorhoede geweest te zijn, hoeven we ons door niemand te laten ontnemen. Want dat waren we inderdaad; omdat we, toen de kans daar was, het zo gewild hadden. Dit geschrift verhaalt van een reis die het veelbelovend begin was van een nieuw, onbekend leven, van teleurstellingen, van eindeloze omzwervingen en geestdodende wachturen, van strijd en van dood. Maar ook van landen en volken die we als soldaten bereisden, van schoonheid die voor een warm hart en een zuiver oog niet verborgen blijft.
En nu, oude Stoottroepkameraden, voordat wij, van het 3e bataljon, gezamenlijk voorgoed "op de plaats rust" gaan hangen: nog eenmaal in de houding voor 'n laatste militair saluut en een ogenblik stilte voor een weemoedige overpeinzing van een periode in ons leven die nooit meer terugkomt; waarin we "ontááárd" veel kankerden en waaraan we allen onvergetelijke herinneringen hebben. Na heimelijk een traan te hebben weggepinkt (in de geest natuurlijk, stommeling; je staat in de houding!), laat dan je handje maar weer zakken en vergeet vooral niet je militaire hoofddeksel, laatste herinnering aan vergane glorie, zorgvuldig weg te sluiten in 'n geheim hoekje. Want je weet: het was eeuwig en altijd, zoveel stoottroep hoofden zoveel soorten hoofddeksels, wisselend van vorm en kleur naar gelang de inspiratie van het ogenblik; en een dergelijk ongedisciplineerd toegeven aan modegrillen is in 'n leger dat zichzelf respecteert, ten enenmale ontoelaatbaar. En als ongelukkigerwijze een van die modelsoldaten van tegenwoordig enkele van die exemplaren in handen kreeg, zou het roemruchte Regiment Stoottroepen in de vaderlandse krijgsgeschiedenis onherstelbaar geblameerd zijn.

Vrijw.K. van Emmerik
Soldaat I
5e compagnie
III(7) Bataljon Regiment Stoottroepen

Naschrift

Bijgaand relaas dateert van ongeveer 50 jaar geleden. Het speelt zich met name af in de jaren 1945-1948, in de "Oost", wat toen nog voor ons Nederlands Oost-Indië was. Ik was als "oorlogsvrijwilliger" ingedeeld bij het derde Bataljon Stoottroepen. In de drie en half jaar die ik in de Oost doorbracht, heb ik 'n dagboek bijgehouden. Daartoe behoort ook dit verhaal, evenals andere publicaties, waarbij ik kon putten uit ontelbare onderwerpen, van luchtig tot tragisch. De onderhavige publicatie eindigt met een denkbeeldig slot, eigenlijk een weemoedige overpeinzing.


Kees van Emmerik, maart 1994

Laatste wijziging: 10 maart 2001