In oktober 2001 overleed Jan Zwart, Stoottroeper bij het 2de bataljon Regiment Limburg. Na die periode ging hij met 1 RS naar Malakka en Indië. Enkele jaren geleden heeft Jan, ten behoeve van zijn gezin, zijn herinneringen en ervaringen, opgedaan in militaire dienst, op schrift gesteld. Zijn echtgenote is zo vriendelijk geweest daarvan een kopie ter beschikking te stellen en al lezende kwamen bij mij weer soortgelijke herinneringen boven. Mevrouw Zwart heeft toestemming gegeven voor publicatie. Hierdoor kunnen meerdere Oud-Stoters, niet-Stoters en wellicht ook de jongere Stoters met hun gedachten teruggaan naar "de tijd van toen", vooral diegenen die met Jan Zwart hebben gediend. In meerdere afleveringen zullen, indien mogelijk, de verhalen van Jan worden gepubliceerd. Wim Schreur.
De eerste ervaringen met de bevrijding.
En toen, in juni 1944 kwam de invasie in Normandië! Iedereen was opgetogen en men kwam bijeen om zoveel mogelijk nieuws te vergaren dat slechts mondjesmaat en zeer eenzijdig binnenkwam. Het duurde een hele tijd voordat er schot kwam in de opmars van de geallieerden. Wij moesten goed oppassen om niet te worden opgepakt voor bijvoorbeeld de arbeidsdienst. Alleen degenen, die in dienst waren van De Staatsmijnen, liepen niet zo'n groot risico. Geleidelijk kwam toch de bevrijding dichterbij totdat ze ineens op gehoorafstand kwam. De Duitsers trokken massaal en vaak in wanorde terug en zij vervoerden hun wapens, munitie en leeftocht op allerhande vervoermiddelen zoals kinderwagens, kruiwagens, gestolen fietsen en de laatste paarden die zij bij de boeren konden vinden. Het was voor ons een opwindend en opwekkend gezicht. De soldaten waren vermoeid, smerig en vaak gevaarlijk. Zo kan ik mij herinneren dat mijn vriend Frans en ikzelf in een café naar de terugtocht zaten te kijken, toen een zeer opgewonden SS-er naar binnen kwam gestormd en ons met zijn pistool bedreigde. Gelukkig voor ons was er boven het café een Duitse officier ingekwartierd. Hij hoorde het schreeuwen van die SS-er, kwam naar beneden, en joeg de SS-er, onder bedreiging van zijn pistool, de straat op. Vervolgens joeg hij ons weg.
De Rijksduitsers en NSB-ers begonnen allemaal weg te trekken richting Duitsland. Men was bang voor "bijltjesdag" die, naar men meende, ongetwijfeld na de bevrijding zou gaan komen. En toen, in de namiddag, kwam het bericht dat de Amerikanen de plaats Beek (L) waren binnengetrokken en ik ging naar de Rijksweg om wat meer aan de weet te komen. Dat was echter niet ongevaarlijk, want toen ik langs de huizen richting Rijksweg liep sloegen de mitrailleurkogels naast mij in een muur van een van die huizen. In een opgewonden en verwachtingsvolle toestand ging ik weer naar huis. De andere dag liep ik 's morgens in alle vroegte met Frans langs het sportpark, richting Kluis en daar kwamen de Amerikanen in hun tanks. |

|
Enorme gevaarten waaruit de commandanten met hun bovenlichaam staken en ons wenkten van de weg af te gaan. Achteraf gezien was dat logisch. Zij waren onderweg naar Oud-Geleen, waar nog een Duits weerstandsnest zat. In Oud-Geleen werd nog tussen de partijen geschoten en later werden de gevangen genomen Duitsers verzameld, waarbij bleek dat zij een aantal gewonden hadden. Ik kan me nog herinneren dat de gevangenen op de trappen van de kerk zaten. Intussen stroomden de Amerikanen met hun tanks via de Rijksweg Geleen binnen, vaak achter de huizen langs, daarbij alles stuk rijdend wat voor hun "voeten" kwam.
Het was 18 september 1944.
Inmiddels werd de Ordedienst, de zogenaamde OD, actief in het handhaven van de openbare orde. De plaatselijke OD stond onder leiding van meester Van de Burgt. Hij was het Hoofd der school in Lindenheuvel en tevens reserveofficier.Hij had de OD voorbereid vanuit de illegaliteit en hoewel er later veel kritiek is gekomen op deze dienst denk ik toch dat zij goed werk heeft verricht, hoewel de kritiek ook vaak terecht was. In samenwerking met dat deel van de politie dat politiek correct was gebleven werden tal van arrestaties verricht. De NSB-ers werden opgepakt alsook diegenen die met de Duitsers hadden samengewerkt. Een deel van de bevolking pakte hier en daar meisjes en vrouwen op die een relatie met Duitsers hadden gehad. Zij werden publiekelijk "tentoongesteld". De arrestatie van NSB-ers was niet altijd even eerlijk. De kleine mannetjes, de sloebers, werden allemaal opgepakt. De grote mannen ontsprongen vaak de dans.
Een dag na de bevrijding hadden zich vanuit andere groeperingen uit de illegaliteit gevechtstroepen geformeerd om de Amerikanen bij te staan in hun strijd tegen de Duitsers en om zo een Nederlandse bijdrage te kunnen leveren aan het verdere verloop. De KP (knokploegen) waren geboren. Zij waren gekleed in blauwe overalls en Nederlandse helmen en uitgerust met Duitse geweren. Om de linkerarm droegen ze een oranje armband. Verscheidene bekenden uit de streek hadden zich aangemeld. Veel jongeren, hooguit een paar jaar ouder dan Frans en ik. Men was druk met exerceren en ze kregen uiteraard een enorme belangstelling. De militaire opleiding werd verzorgd door "vooroorlogse" officieren en onderofficieren. Frans en ik besloten ons te laten inschrijven. Het probleem was echter dat wij ons, volgens de toenmalige Wet, niet konden aanmelden zonder toestemming van onze ouders. Wij waren volgens de Wet nog niet meerderjarig. Allereerst gingen wij naar mijn ouders die na lang aarzelen eindelijk hun toestemming gaven. Vervolgens naar de ouders van Frans en daar werd ik prompt buiten de deur gezet en mocht me niet meer laten zien: "ik bracht Frans op het slechte pad!" Ik ben mij toen gaan melden, maar heb eerst nog een briefje gehaald bij "de illegaliteit" waarmee ik kon aantonen dat ik mij in de oorlog goed gedragen had en dus niet fout was geweest. Frans is later toch als vrijwilliger in dienst gegaan, bij de mijnopruimingsdienst. Hij moest daar Duitsers bewaken die mijnen moesten ruimen in Kerkrade. Maar plotseling ging het mis met die mijnen: enige Duitsers verloren het leven en Frans werd licht gewond aan zijn linkerhand. Een paar weken na mijn inschrijving kreeg ik de oproep dat ik mij voor dienst moest melden in "de kazerne" te Sittard, Die kazerne was het Bisschoppelijk College.
Naschrift.
Jan noemt de marcherende KP in blauwe overalls. Dat waren de voorlopers van de latere Stoottroepen. In Geleen waren twee kazernes waar de KP waren gelegerd: de "Bernhardkazerne" (in het voormalig "Deutsches Heim") in de Groenstraat en de "Julianakazerne" in de school achter het Gezellenhuis in Lindenheuvel. Jan zal vooral de jongens in de Groenstraat gezien hebben, want dat was vlakbij zijn ouderlijk huis. Een volgende keer gaat zijn verhaal over zijn tijd bij het Regiment Limburg.
|

|
Bron: Strijdend Nederland: 56e Jaargang juni 2002
|
|
In deel 1 (zie het juninummer 2002 van Strijdend Nederland) vertelde Jan Zwart ons hoe het hem verging bij de bevrijding van Geleen en zijn aanmelding als vrijwilliger bij de Stoottroepen.
Hieronder volgt zijn verhaal waarin hij zich meldt in de kazerne te Sittard (het Bisschoppelijk College) en zijn eerste ervaringen als Stoottroeper.
Ik heb, toen ik mij opgaf voor de Stoottroepen, ontslag willen nemen bij de Staatsmijnen, maar dat werd niet geaccepteerd. Wel kreeg ik groot verlof en ik heb daar later geen spijt van gehad. De reden voor die ontslagweigering was dat men een leegloop vreesde en de eventuele wederopbouw na de oorlog in de knel zou komen (zie noot 1).
Ik kreeg een oproep om mij op 23 november 1944 te melden in de kazerne te Sittard. Ik moest twee dekens, bord, beker, bestek, ondergoed, zeep enz. bij mij hebben. Ik heb toen alles in een jutte zak gedaan en ben te voet, door het veld, vanuit Oud-Geleen naar Sittard gelopen.
In die tijd lag het front juist noordelijk van Sittard. Het plaatsje Nieuwstadt was nog door de Duitsers bezet. Vanuit Duits gebied werd regelmatig met artillerie geschoten, meestal op Sittard, soms ook op Oud-Geleen. Dit veroorzaakte regelmatig slachtoffers, voornamelijk onder de burgerbevolking.
Toen ik Sittard binnenkwam, werd er juist weer geschoten en enkele granaten vielen bij mij in de buurt. Ik zocht dekking en ben toen kruipend langs de muurtjes van de voortuintjes naar de kazerne gekropen. Die affaire kostte mij wel mijn bord en beker. Bij de kazerne aangekomen, werd ik door de wacht uitgescholden voor deze stommiteit en ben gesommeerd onmiddellijk dekking te zoeken en te wachten tot de beschieting was afgelopen. Na afloop van de beschieting ben ik mij gaan melden. Ik werd ingeschreven, voorzien van "stukken uniform" en toegewezen aan een sergeant. Ik werd, als ik mij goed herinner, ingedeeld bij de 2de Compagnie van het 2de Bataljon. Later bleek mij dat twee Stoters waren gesneuveld ten gevolge van deze beschieting (zie noot 2).
De volgende dag werd ik meegenomen naar een grindkuil op de Kollenberg, waar ik mijn eerste schietoefeningen kreeg met een Duits geweer en een Engelse stengun (een lichte pistoolmitrailleur of machinepistool). Dat was voor mij een hele ervaring. Van de dagen daarna kan ik mij herinneren dat wij veel moesten exerceren, geweeroefeningen en gymnastiek moesten doen, theorielessen kregen en natuurlijk eten. Dat eten was voldoende aanwezig. Wij waren toch wel wat ondervoed en wij werden, naar ons gevoel, door de Amerikaanse keuken vetgemest.
Een of meer compagnieën van de vrijwilligers, die eerder in dienst waren gekomen, lagen al enkele weken in stelling bij Nieuwstadt, samen met de Amerikanen. Bij een aanval van de Duitsers waren twee Stoottroepers gesneuveld. Een van hen ligt op het kerkhof van Oud-Geleen begraven (zie noot 3). |

|
Omdat de beschietingen op Sittard niet ophielden en van oefenen dus niet veel terechtkwam, werden wij overgeplaatst naar het kasteel van Wijnandsrade om een elementaire opleiding te volgen. Het was winter, het vroor hard en de sneeuw lag erg dik. De opleiding was zwaar en hard. Exerceren, hardlopen, geweeroefeningen, veel theorie en huis-aan-huisgevechten beoefenen. Dit laatste kon aardig in praktijk worden gebracht omdat een behoorlijk aantal huizen geheel of gedeeltelijk vernield was. Ikzelf had de meeste moeite met geweeroefeningen, zoals het geweer horizontaal boven je hoofd houden met één hand aan de tromp. Een van de sergeanten, waar ik toch wel veel aan te danken heb, riep mij iedere avond bij zich om met het geweer te oefenen. Wij deden dat, totdat ik het redelijk goed kon.
Na enige weken werden wij overgeplaatst naar Valkenburg, waar wij gelegerd werden in een deel van het klooster. In Valkenburg moesten wij bewakingsdiensten uitvoeren bij munitiedepots, ons hoofdkwartier, waar ook Prins Bernhard vaak vertoefde, enige stafgebouwen en verder moesten we toezien op het nachtelijke uitgaansverbod. Niemand van de burgerbevolking mocht 's avonds na tien uur nog op straat verschijnen (zie noot 4).
Inmiddels was gebleken dat enige oud-SS'ers zich hadden laten opnemen bij de Stoottroepen. Dat was voor hen een ideale schuilplaats. Stuk voor stuk werden wij gedurende enige dagen "doorgelicht" en dat was een merkwaardige ervaring.
Eens heb ik een stommiteit uitgehaald. Ik stond op wacht bij de ingang van onze kazerne in Valkenburg. Er kwam een Duits verkenningstoestel overvliegen en ik heb toen mijn geweer gepakt en heb op dat toestel geschoten, zonder resultaat overigens. Het toestel draaide bij en schoot een roffel terug. Ik moest toen op rapport komen waar ik enorm werd uitgekafferd.
|
.jpg)
|
Ik was inmiddels een paar maanden in dienst en mocht toen op een zondag "even" naar huis. Te voet en bewapend. In plaats van een geweer kreeg ik een stengun mee. Ik ben toen vanuit Valkenburg binnendoor langs de Stoepert, Schimmert en Spaubeek naar huis gelopen en ook weer terug naar "mijn kazerne". Allemaal op diezelfde zondag! Ik weet nog dat mijn vader mij plaagde met mijn uitrusting. Mijn stengun had geen draagriem maar alleen een ordinair touwtje. Ik schaamde mij natuurlijk. Heel onze uitrusting was letterlijk bij elkaar gescharreld en was vaak een zooitje.
Ik was nauwelijks weer terug in de kazerne of het Ardennenoffensief brak los. Het was 16 december 1944. De Duitsers overrompelden hele afdelingen Amerikanen en drongen ver door in België. De toestand was heel kritiek. Onze compagnie werd onmiddellijk ingeschakeld voor extra patrouilles en wachtposten, speciaal in de heuvels rond Valkenburg. Er werden schuttersputten gegraven die wij dag en nacht moesten bemannen. Onze opdracht was uit te kijken naar Duitse parachutisten. Het was bitter koud en onze voeten bevroren bijkans.
Langzaam werd echter voor ons de toestand weer "normaal" en werden wij gehergroepeerd met de opdracht: op naar Duitsland! |

|
Noot 1:
Het grote voordeel van géén ontslag bij de Staatsmijnen was dat men na demobilisatie, wanneer dan ook, meteen weer in dienst genomen moest worden.
Noot 2:
De twee gesneuvelden bij Jan's indiensttreding op 23 november 1944, waren de Stoters Martens en Van Hees van de 2de Compagnie, 2de Bataljon Limburg. De Stoter Segers sneuvelde een dag eerder en Kapitein Derks een dag later. Beiden ook door granaatvuur op Sittard.
Noot 3:
Voordat Jan Zwart in dienst trad op 23 november 1944, waren al omgekomen Sergeant Dautzenberg (12 oktober 1944), de Stoters Traas en Van Hees (17 oktober 1944), de Stoters Vermeulen en Van Agtmaal (27 oktober 1944) en de Stoter Gelissen (01 november 1944).
Noot 4:
Niet alleen het 2de Bataljon vertrok uit Sittard (vanwege het vele granaatvuur), ook de opleiding van de Militaire Politie werd verplaatst naar de Eperheide.
W.S.
Bron: Strijdend Nederland: 56e Jaargang september 2002
|
|
Eindelijk was het dan zover. In het kielzog van de Amerikanen op weg naar Duitsland. Onze opdracht was onder meer het bewaken van allerlei opslagplaatsen. Later kwam daar ook nog de bewaking bij van kleine Duitse dorpen. Eens stond ik in het donker op wacht bij een dergelijke opslagplaats, midden in de bossen. Er kwamen grote wilde varkens aanlopen op zoek naar voedsel. Zij woelden de hele bodem omver. Ik ben toen maar hoog in een boom geklommen en heb gewacht tot ze weer verdwenen. |

|
We verbleven ook enkele weken in de stad Aken. In het centrum van de stad was zwaar gevochten en Aken was grotendeels verwoest. We werden gelegerd in een van de buitenwijken. In één van de daar gelegen fabrieken hebben we textiel in beslag genomen waar later uniformen voor ons van werden gemaakt. Toen de Duitsers verdreven waren, ben ik wel eens in het centrum van Aken geweest en heb ik mozaïeksteentjes vanuit de Domkerk meegenomen als souvenir. Een andere afdeling van ons bataljon had in een kelder sterke drank gevonden. Die kelder was echter gedeeltelijk onder water gelopen en één van de jongens is daarin verdronken.
Het meest kritische moment voor ons was de oversteek over de Rijn bij de stad Wesel. We kwamen daar aan toen de eerste Amerikanen de Rijn al waren overgestoken. Het was donker. Hier en daar brandde een houtvuurtje waarbij we onze handen konden warmen. Slapen was die nacht onmogelijk en toen het daglicht werd, trokken we de Rijn over de stad Wesel binnen. Via een loopbrug over de uiterwaarden en een noodbrug over de Rijn zijn we in de stad aangekomen. Ook hier hetzelfde beeld van totale verwoesting. Er stond eigenlijk geen steen meer op de ander. Op sommige plaatsen waren de oevers van de Rijn doorploegd met granaatinslagen. Geen mens is daar in leven kunnen blijven. Overal lagen, soms half onder de sneeuw, lijken van Duitse soldaten. De Amerikaanse gesneuvelden waren inmiddels grotendeels geborgen. Zo hier en daar was men nog bezig met het inrichten van verzamelplaatsen voor gesneuvelden.
Op bepaalde momenten zagen we de Amerikanen gezamenlijk optrekken met de Engelsen. Het viel ons op dat de Engelsen veel meer te voet gingen en met lichter materieel waren uitgerust. Onze verplaatsingen gingen altijd per vrachtwagen tot de volgende halteplaats, waar steeds weer het zelfde beeld van vernietiging en dood te zien was. Sommige afdelingen van ons bataljon zijn in vuurcontact gekomen met de Duitsers. Zij werden betrokken bij gevechtsacties. Een peloton van een ander Stoottroepbataljon werd samen met een Amerikaanse compagnie door de Duitsers ingesloten. Zij hebben hard moeten vechten om daar uit te komen. Van de drie bataljons van de Stoottroepen die in Duitsland gelegerd waren, zijn circa 40 mannen gesneuveld. |

|
Geleidelijk aan werd het wat rustiger en verbleven we een tijdje op dezelfde plaats. Maar daar werden we weer met andere situaties geconfronteerd. Eén van de werkkampen waar Polen en Russen hadden vastgezeten, was zonder bewaking gekomen. De gevangenen hadden wapens buitgemaakt en stroopten de hele omgeving af. En dat gebeurde vaak genadeloos. Zij waren zelfs voor ons en de Amerikanen gevaarlijk, zeker als we in de minderheid waren. De militaire politie trad hier wel krachtdadig tegen op.
Uiteindelijk kwam ik in Gütersloh, in een door de Amerikanen bezet gebouw terecht. Met een paar andere jongens werden we aan de Amerikaanse bewaking toegevoegd, en ik moet zeggen dat we daar een mooie tijd hebben gehad. |

|
Met de Amerikanen konden we in het algemeen goed opschieten, op een enkel incident na. Een Amerikaanse korporaal deed wat smalend over onze Koningin. Ik nam dat niet en sloeg hem op zijn gezicht. Het werd een enorme vechtpartij. Na afloop moest ik bij de Amerikaanse luitenant komen. Hij hoorde mijn verhaal zo goed en zo kwaad als dat ging aan en ik kwam er met een ernstige waarschuwing vanaf. De korporaal en ik hebben elkaar nog een hand moeten geven en later kon ik redelijk goed met hem opschieten. Wat we verder veel deden, was het bekijken van Duitse films. Die lagen daar met honderden. Meestal pure propaganda.
De contacten met de Duitsers waren zeer minimaal. Je zag ze wel, schuw met de ogen naar beneden gericht en meestal gekleed in zeer versleten kleren of oude Duitse uniformjassen. Meestal waren ze broodmager. De massa van de bevolking was arm en leed honger. Vaak zag je ze met honderden tegelijk bezig met puinruimen om de straten vrij te maken. Velen van hen woonden in kelders en ruïnes. Uit de spaarzame gesprekken bleek altijd weer dat niet zijzelf maar de ander nazi was geweest. Het puinruimen werd altijd gedaan door vrouwen en oudere mannen. Jonge mannen zag je bijna niet. Vaak waren de handen door de werkzaamheden verwond en verbonden met vuile lappen. In de meeste dorpen viel de schade vaak wel mee, maar de grotere plaatsen hadden zwaar geleden en daar was alles vernield.
Inmiddels waren de Stoottroepenbataljons en compagnieën verspreid over een groot deel van Duitsland. Geleidelijk aan werden we weer verzameld. Toen dat gebeurd was, moesten we een keuze maken uit drie mogelijkheden. Tekenen van de langverbandakte of de kortverbandakte of voor onmiddellijk ontslag. Diegenen die getekend hadden voor een langverband werden opnieuw ingedeeld en de eenheid kreeg een nieuwe opdracht: het inrichten en bewaken van een krijgsgevangenenkamp in de buurt van Croutoix, een plaatsje noord van Parijs. Met vrachtwagens werden we naar een klein stationnetje gebracht en daar stonden goederenwagons klaar, de vloeren overvloedig bedekt met vers stro. Per groep kregen we een wagon toebedeeld. We reden als God in Frankrijk en dat was in zekere zin nog waar ook. In Frankrijk kregen we van de bevolking hier en daar wat toegestopt en op de stationnetjes mochten we ons verzorgen. We konden er ook wat kopen en dat was een ongekende luxe. Toen we in Croutoix aankwamen, was de Amerikaanse genie al bezig het kamp in te richten. Al snel werden de eerste krijgsgevangenen aangevoerd. Onder leiding van onze officieren en onderofficieren en geassisteerd door de Amerikaanse inlichtingendienst moesten we hen fouilleren. Sommigen protesteerden, maar daar werd geen rekening mee gehouden.
Op een dag zijn we met vrachtwagens naar Parijs gebracht om de stad te bekijken. Dat heeft een geweldige indruk op ons gemaakt. Jammer genoeg hadden we geen of weinig geld te verteren. Het bezoek was in onze ogen veel te kort. En na enige weken, toen alles een beetje saai begon te worden, kregen we bericht dat we werden overgeplaatst naar Nederland. Naar de Harskamp! Daar zouden we dan in de eerste 'echte' kazerne worden gelegerd. Op een morgen zijn we daar naar toegebracht ...
W.S. |

|
Bron: Strijdend Nederland: 56e Jaargang december 2002
|
|
In december 2002 is Wim Schreur helaas overleden. Hij was 'de leverancier' van de verhalen van Jan Zwart. De redactie heeft gemeend deze verhalenserie toch te blijven publiceren, al was het maar als eerbetoon aan deze twee Limburgse Stoottroepers. De kopij is ter beschikking gesteld door Huub Zwart, de zoon van Jan. Waar nodig, is de tekst door de redactie geredigeerd.
Het vorige verhaal eindigde met de 'overplaatsing' vanuit Duitsland naar de Harskamp. Hier vond in augustus 1945 de vorming van 1 RS plaats. Al vrij spoedig daarna vertrokken ze, via Oostende, naar Engeland. In dit verhaal beschrijft Jan Zwart enkele ervaringen uit die periode.
Op een dag, het was begin augustus 1945, kwamen we in de Harskamp aan. Het bleek dat dit kamp tevens functioneerde als krijgsgevangenkamp voor Nederlandse SS-ers. Onze opdracht was ons voor te bereiden op de strijd in Indonesië, maar ook het bewaken van gevangengenomen SS-ers en andere krijgsgevangenen. Het is wel duidelijk dat de bewakingsopdracht bij ons niet zo populair was. Onder de SS-ers in het kamp waren ook kleermakers en die hebben voor ons uniformen gemaakt van stof die we in Duitsland in beslag hadden genomen. Eindelijk kregen we dus allemaal hetzelfde uniform.
Allereerst werden we opnieuw ingedeeld en ik kwam in de 4de Compagnie van het 1ste Bataljon Stoottroepen terecht. Vervolgens moest door de ouders van minderjarigen de zogenaamde 'oorlogsvrijwilligerverklaring' getekend worden. Dat was ook op mij van toepassing. Hoewel verdrietig, stemden mijn ouders toch in. Naderhand heb ik begrepen waarom zij dit deden. Het was een turbulente tijd en nu stond ik tenminste onder toezicht. Verder hadden zij wel begrip voor mijn keuze. |
 SS-ers in de Harskamp
|
 SS-ers aan de maaltijd in de Harskamp
|
Op 15 augustus 1945 capituleerde Japan. Onze opdracht was plotseling niet meer de bevrijding van Indonesië van de Japanse overheersing, maar het redden van de mensen uit de concentratiekampen en het herstel van gezag, orde en vrede. We wisten inmiddels dat door de Koningin op termijn zelfstandigheid aan de Indonesiërs was beloofd en wel, naar ik meen, in een zogenaamde 'Gemene Best'-constructie, zoals ook Engeland van plan was . We gingen dus aan de slag met allerlei oefeningen. We kregen werkelijk een zware training. We leerden elkaar steeds beter kennen en werden steeds meer een homogene eenheid. De tucht was zeer streng en dat moest ook wel, want in Duitsland waren we een beetje vrijbuiters geworden. Nu viel het ons wel eens wat tegen en het kazerneleven waren we in het geheel niet gewend.
Een enkele keer dreigde het met een oefening mis te gaan. We moesten eens een oversteek over een rivier gaan oefenen. Nu had je in de Harskamp tussen de bossen een paar vennen. Een paar stafleden ging aan de overkant van een ven in stelling liggen met lichte mitrailleurs en zij zouden over onze hoofden heen met scherp schieten, om ons te dwingen zoveel mogelijk gedekt te verplaatsen. Wij van onze kant gingen van gezaagde boomstammen, die daar lagen, vlotten bouwen. Op dit vlot moest dan een lichte mitrailleurschutter met zijn wapen plaats nemen en anderen, die goed konden zwemmen, waaronder ikzelf, moesten het vlot al zwemmend over het ven duwen. We gingen dus te water. We hadden echter een fatale fout gemaakt. De stammetjes waren pas gekapt en dus nog nat. Het drijvende vermogen was dus zeer gering. Zolang we nog grond onder de voeten voelden, ging alles nog goed, maar zodra er geen grond meer voelbaar was, gingen we aan het vlot hangen. Dat zakte dus steeds dieper in het water. Ik liet alles los, ook mijn geweer dat, al zinkende, met de riem om mijn voet kwam te zitten. Mijn helm zakte over mijn ogen en van zwemmen kwam niets meer terecht. Ik dacht dat ik stikte, totdat een van de onderofficieren mij oppikte en naar de wal sleepte. Voor de rest liep dat allemaal goed af. Alleen waren we erg boos op de 'vijand', die niets in de gaten had en gewoon door bleef schieten.
Doordat we nu hele dagen en weken, dag en nacht bij elkaar waren, leerden we elkaar goed kennen en het was verbazingwekkend te ontdekken hoeveel we onderling van elkaar verschilden in leeftijd, afkomst en godsdienst. Er waren keurige lui bij maar ook ongelooflijk onbeschofte kerels. De schoolopleidingen liepen uiteen van helemaal niets tot mensen met het diploma Gymnasium op zak.
Er werd een begin gemaakt met vaccineren. Dat was een heel gebeuren. Sommige knapen konden er niet tegen, maar ja, het was nodig. Ook werden er voorlichtingsfilms vertoond als waarschuwing tegen het mogelijk oplopen van geslachtsziekten. Het is ongelooflijk wat voor verschrikkelijke ziekten je kon krijgen, zo werd ons voorgehouden.
Niet alles kon door de beugel wat we in Harskamp uitvoerden. Op een zekere avond was er een feestje en daarbij werd nogal wat gedronken (capitulatie van Japan). Een van de manschappen nam een lichte mitrailleur en begon daarmee te schieten in de richting van de barakken van de gevangenen, en anderen deden mee. Gelukkig werd geen van de SS-ers getroffen. Het was wel zeer dom en door de leiding werden zware straffen (de zogenaamde douwen) uitgedeeld.
Op een gegeven moment kregen we inschepingverlof en mochten we dus een paar dagen naar huis om afscheid te nemen. Dat waren toch wel moeilijke dagen voor mij, maar zeker ook voor mijn ouders. Na terugkeer in de Harskamp werden we met vrachtauto's in konvooi naar Oostende gebracht. We waren met twee bataljons Stoottroepen, het 1ste en 3de Bataljon, en een bataljon van 13 RI (13 Regiment Infanterie, Red.). We werden in de haven in een manschappenloods, voorzien van houten britsen, ondergebracht. Mannetje aan mannetje en drie hoog. Daar kregen we een hap eten en we mochten niet naar buiten.
De volgende morgen werden we ingescheept met bestemming Engeland. Wij, van de 4de Compagnie van het 1ste Bataljon Stoottroepen, hadden als bestemming Aldershot. De andere compagnieën van ons bataljon en het 3de Bataljon Stoottroepen gingen naar Wokingham. De boot waarmee we werden verscheept, heette: 'Lady of Mann'. In Aldershot kwamen we op 28 september 1945 aan. We vertoefden als enige Stoottroepencompagnie tussen een ander Nederlands bataljon namelijk 2-13-RI (het 2de Bataljon van 13 Regiment Infanterie, Red.). We hebben daar nog bezoek gehad van ZKH Prins Bernhard, die ons, Stoottroepers, kwam opzoeken.
|
 Het Station Aldershot
|
Aldershot ligt op geringe afstand ten westen van Londen. Het was naar onze begrippen een grote stad met gewoon een gezellig uitgaansleven. Dat was voor ons, vaak jonge kerels, iets nieuws dat we door de oorlog nog niet hadden ervaren. De eerste paar dagen mochten we niet uit. Daarna mochten we 's avonds een paar uurtjes op stap. Dat was een hele belevenis, alhoewel we eigenlijk geen cent 'op de ribben hadden', zoals men dat toen wel zei. De mensen in Engeland waren gastvrij en we kregen het gevoel welkom te zijn. Ze vonden het bijzonder om Nederlandse militairen te ontmoeten. Blijkbaar hadden we reeds enige reputatie opgebouwd, althans dat bleek uit de summiere gesprekken die we konden voeren. In ieder geval werden we overal aangesproken, maar onze talenknobbel schoot meestal tekort.
Eindelijk kregen we onze tropenuitrusting en vervolgens de laatste vaccinaties. Voor één van onze jongens liep dat dramatisch af. Hij kreeg hoge koorts en stierf even later. We waren allemaal zeer ontzet. Alles bij elkaar zijn we twee weken in Engeland geweest. Na die twee weken zijn we met vrachtauto's helemaal naar Liverpool getransporteerd en daar aan boord van de 'Alcantara' gegaan. We vertrokken op 11 oktober 1945.
|
Bron: Strijdend Nederland: 57e Jaargang 13 juni 2003
|
|
In de vorige uitgave van Strijdend Nederland heeft u kunnen lezen dat 1 RS, het bataljon waarbij Jan Zwart was ingedeeld, zich in Engeland gereedmaakte voor de grote reis naar de Oost. Na die korte spoedopleiding werden de mannen in vrachtauto's naar Liverpool verplaatst, waar ze aan boord gingen van de Alcantara, een troepentransportschip. Ze vertrokken op 11 oktober 1945.
|
 tss Alcantara
|
 Vanaf Alcantara in de landingsboten, 13-11-1945
|
De Alcantara is een berucht schip geworden, althans in onze herinneringen. De Alcantara was een Italiaans schip, in de oorlog door de Engelsen buitgemaakt en door hen omgebouwd tot een troepentransportschip. Aan boord was een zogenaamde prijsbemanning, d.w.z dat er door gebrek aan voldoende goede zeelieden mensen uit de gevangenissen werden geronseld en dat was niet het beste deel van de Engelse samenleving. Benedendeks waren de slaapplaatsen en de eetzaal ingericht. Op de vloeren stonden houten tafels met aan weerskanten houten banken. Hierboven, aan het plafond, waren hangmatten bevestigd en daar was geen plaatsje vrij gehouden. Als je in je mat lag, voelde je links en rechts van je jouw buurman. Tussen jouw hoofd en het hoofd van je buurman lagen de voeten van de mensen uit de achterliggende rij, tussen jouw voeten en die van je buurman lag het hoofd van een man uit de voorliggende rij. Zeg maar als sardientjes in een doosje. Op de boot waren ruim 4 bataljons ingescheept, dus zeker 4.000 man. Dit vereist natuurlijk aan boord een strakke organisatie en discipline.
Wat indrukwekkend was, was de haven van Port Said. Wij mochten niet van boord. De officieren wel. Aan de wal werd je van alles te koop aangeboden. Ook de tocht door het Suezkanaal was prachtig. Aan weerskanten zag je de oevers met op een gegeven moment een militaire patrouille op kamelen. Het was een droevig moment dat in de buurt van de Rode zee één van onze jongens ziek werd en enige tijd later overleed. Hij was ernstig ziek en ik denk dat hij de hitte die daar heerste niet meer kon verdragen. Er moest ook gebunkerd worden zoals zoetwater, olie en voedsel. Daartoe voeren wij naar Ceylon, naar de rede van Trincomalee.
|
 Landing Malaka, 13-11-1945
|
 Landing op Malaka, Port Dikson, 13-11-1945
|
Het was inmiddels 30 oktober 1945. Wij vertoefden 's avonds laat, toen het donker was, op de rede. In de verte zag je hier en daar wat lichtjes van een of andere kampong. Het was voor ons allemaal heel geheimzinnig.
Na een poos lichtten wij het anker en voeren wij naar onze laatste bestemming, althans dat dachten wij. Enige uren varen voordat Batavia zou worden bereikt, kregen wij van het Engelse oppercommando, (en die hadden het voor het zeggen), de opdracht naar Malakka te varen om daar gedebarkeerd te worden. De opwinding was groot en dat is nog zachtjes uitgedrukt. Inmiddels hadden wij al informatie gekregen dat het vooral op Java niet zo goed ging met de geïnterneerde Nederlandse mannen en vrouwen, die vaak afschuwelijk door sommige Indonesiërs werden behandeld.
De debarkatie op Malakka op 13 november 1945 was een opwindend gebeuren. We zagen in de verte de kust en het zag er groen en bergachtig uit. De Alcantara ging voor anker en wij werden met behulp van landingsboten op de kust gezet. En daar zaten we dan! Ik denk dat de bataljonsleiding grote moeite had om enige lijn in het gebeuren te krijgen. Er was weinig of niets voorbereid. Die kans hadden zij niet gekregen.
We zagen voor het eerst hoe de inheemse jongetjes op een typische manier een klapperboom inklommen om een klapper te plukken. Een aantal van ons probeerden ook in zo'n boom te klimmen om een noot te plukken. Het is hun niet gelukt. De eerste dagen waren we druk bezig met het inrichten van het legeringsgebied. Eerst moest er een groot toilet gebouwd worden op het strand, juist over de eblijn. We konden daar met 10 man naast elkaar zitten. Ook werd er een grote was- en douchegelegenheid gebouwd. Rondom het gebouw werd een sleuf voor de afvoer van regenwater gegraven en het gehele terrein moest geëgaliseerd worden. Na een week waren we op orde. Het harde werken had ons, na het verblijf op de boot, erg goed gedaan. In verband met het te verwachten verloop van de strijd in Indonesië werden wij omgevormd van een licht infanteriebataljon naar een gevechtsbataljon. In theorie kregen we ook andere bewapening (noot 1). Onze bataljonscommandant Debije ging terug naar Nederland. Hij werd teruggeroepen op verzoek van de Staatsmijnen. Hij werd vervangen door een officier van het KNIL, Majoor Tijman. Die kwam, meen ik, juist terug uit Japanse krijgsgevangenschap (noot 2). Deze majoor pakte de zaken meteen op zijn eigen manier aan. Hij kwam bijvoorbeeld onze compagnie inspecteren en liet zijn oog op ons peloton vallen. Hij liet de rijen openen en de 3de man uit de 2de rij moest zijn bajonet laten zien. Dat werd geen succes, want die bajonet was ietwat verroest en dat kostte hem een paar dagen licht arrest. En wij wisten gelijk wat wij aan deze commandant hadden!
|
 Landing op Malaka, Port Dikson, 13-11-1945
|
 Landing op Malaka, Port Dikson, 13-11-1945
|
Inmiddels waren we begonnen aan een zware militaire training. Uren marcheren met volle bepakking in de hete tropenzon afgewisseld met speedmarsen, het steeds weer nemen van de stormbaan, wapenleer, bajonetvechten, schietoefeningen, beklimmen van steile rotswanden aan de kust en dagenlang bivakkeren in de rimboe. Op een gegeven moment kregen we een eindoefening. Een compagnie lag in de verdediging en de andere compagnieën moesten aanvallen. Wij waren uitgerust met losse flodders als munitie, terwijl de officieren van de verdedigende partij scherpe munitie hadden. Zij hadden de opdracht met scherp over de hoofden te schieten. Bovendien ontploften overal nagemaakte landmijnen. Het ging allemaal goed totdat iemand door een losse flodder in zijn gezicht werd geraakt. Het liep echter goed af hoewel de bewuste man er een litteken aan overgehouden heeft.
Het eten was niet al te best. Niet veel brood, zoete aardappelen (Katella) en vlees waar de vliegen al opzaten, soms met maden. Fruit was er, vanwege de inlanders die daarmee langs kwamen, ruimschoots voorhanden. Ook aan drinken was geen gebrek. Gewoon water was onbetrouwbaar maar de hele dag was bij de keuken volop slappe thee te krijgen. Bij de inlanders konden wij geen kwaad. De hospikken verleenden waar nodig hulp en hielden zelfs een soort spreekuur. Ik herinner me een Maleier die met een geit kwam aanlopen. Die geit had een verwonding aan een poot en daarin krioelde het van de maden. Onze hospik is er zeker een week mee bezig geweest om die geit te genezen en dat is hem uiteindelijk nog gelukt ook!
Zo af en toe hoorden we berichten uit Indonesië, vooral uit Java. De toestand daar werd steeds slechter. Men was aan het moorden in de kampen die onder bewaking stonden van de Indonesiërs. De Engelsen hadden namelijk sommige gebieden onder controle van de Indonesiërs gesteld omdat ze zelf niet meer opgewassen waren tegen de hectische situatie.
|
 Kwartiermaken, Port Dikson december 1945
|
 Kwartiermaken, Port Dikson december 1945
|
De Kerstviering 1945 was de eerste in de tropen en dat gaf een vreemde gewaarwording. Het was warm, het was groen maar er waren geen dennen. Van zomaar wat takken was er een kerstboom gemaakt. Toen we nog maar net op Malakka waren werd een veldprediker aan ons voorgesteld met de rang van Majoor. Hij was een ervaren man en zéér zelfverzekerd. De aalmoezenier kwam juist van het seminarie en was zéér onervaren. Hij was niet zelfverzekerd en had de rang van Tweede-luitenant. Zijn naam: Piet Konijn. De veldprediker verdween op den duur geruisloos, pater Konijn groeide uit tot een 'groot' man.
We waren nu enige maanden op Malakka, hadden elkaar goed leren kennen en waren gegroeid naar grote kameraadschap, goed opgeleid en zeer gemotiveerd. We wachtten met spanning wanneer we konden gaan. We waren bereid veel, zelfs alles te geven. Militair gezien waren we een goed gedisciplineerde gevechtsgroep met een hoog moreel.
Eindelijk was het 9 maart 1946. Bijna vijf maanden na ons vertrek uit Engeland! Op de rede lag de Sommelsdijk. Met landingsboten werden we langszij gebracht en langs omlaag hangende netten van touw moesten we met volle bepakking naar boven klauteren. Aan boord zaten en lagen we mannetje aan mannetje. Veel plaats was er niet. Langzaam voeren we weg en de kust van Malakka werd steeds kleiner en waziger. Nu waren we op weg naar het grote onbekende, naar een bestemming die wij zelf hadden gewild en waar we naar hadden uitgezien.
Enige weken eerder was 3 RS op weg gegaan naar Banka, om deze plaats te heroveren. Het was hun snel gelukt maar het kostte hun ook drie doden (noot 3). 2-13 RI was ongeveer een week eerder dan ons bataljon vertrokken en na diverse omzwervingen kwamen zij slechts 1 tot 2 dagen eerder in Semarang aan.
|
 Gereedmaken voor vertrek naar Semarang
|
 Op de rede lag het MS Sommelsdijk
|
Tot zover het verhaal van Jan Zwart over de periode van 1 RS op Malakka. Het bataljon werd van daar overgevaren naar Semarang. Aan de zuidrand van die stad namen ze stellingen over van de Britten. Later hebben ze vanuit die stad een groot gebied veroverd. In een volgende aflevering kunt u daarvan kennisnemen.
Noot 1: Alle OVW-bataljons werden uitgezonden als een Light Infantry Batallion. D.w.z: Staf- en Stafcompagnie en 5 Infanteriecompagnieën. Gezien de politieke situatie in Indië was de daarbij behorende bewapening onvoldoende. Vandaar de omvorming naar gevechtsbataljons. Deze bestonden uit de Staf- en Stafcompagnie, 4 Infanteriecompagnieën en een Ondersteuningscompagnie. Deze laatste bestond uit een mitrailleurpeloton .50 inch, een mortierpeloton met mortieren van 3 inch, PAG-peloton, verbindingspeloton, carrierpeloton en een soort geniepeloton. Voor deze organisatie waren veel meer manschappen nodig, vandaar dat het OVW-bataljon 5-9 RS werd opgedeeld en deels als aanvulling naar 3-7 en 4-8 RS is gegaan. Noot 2: Majoor Debey zou eerst worden vervangen door Majoor van Kooten. Dit is, om voor mij onbekende redenen, niet doorgegaan. Majoor Debey werd na terugkomst in Nederland commandant van het 2 RS in Rotterdam. Noot 3: 3-7 RS was het eerste Stoterbataljon dat op Banka in actie kwam n.l. op 11 februari 1946. Zij verloren op 14 en 15 februari 1946 geen drie, maar zeven Stoters. Wim Schreur. (U).
|
 Semarang van uit de lucht
|
 Landing te Semarang, maart 1946
|
|
Nooit, al was het nog zo gevaarlijk, hebben wij onze gewonden of gesneuvelden achtergelaten ...
Wij voeren op de Sommelsdijk richting Java. Wij waren opgetogen over de succesvolle operatie van het 3de Bataljon op het eiland Banka en erg onder de indruk van het sneuvelen van de kameraden daar. Dit bracht ons terug naar de mogelijke realiteit die ons te wachten stond.
|
 Chinese poort Semarang
|
 Propaganda
|
Indonesië. Op 12 maart 1946 kwamen wij op de rede van Semarang aan voor debarkatie. In de verte zag je de kust met de stad liggen met daarachter, heel ver weg, de bergen. Een raar gevoel bekroop ons. Dan zagen wij landingsboten uitvaren en koers zetten naar onze boot. Groep na groep stapte met volle bepakking en de bewapening gebruiksklaar over in de landingsboten. Van te voren was munitie uitgereikt. Langzaam voeren wij naar de kade waar wij aan land gingen. Daar werden wij opgewacht door Engelse officieren en vervolgens werden wij naar gereedstaande trucks gebracht waar wij instapten. De tocht door de stad ben ik nooit vergeten. De Indonesiërs die wij zagen, waren erg verpauperd. Langs de straten zag je stervende mensen liggen, vaak gekleed in jutezakken. Wij werden er stil van. Overal hingen roodwitte vlaggen en op veel gevels waren anti-Nederlandse slagzinnen aangebracht in zowel de Engelse als de Maleise taal. De onmiddellijke omgeving van de stad werd geheel beheerst door de Republikeinen. Er was nauwelijks aanvoer van voedsel en andere benodigdheden. De bevolking was dan ook zwaar ondervoed en had te lijden van allerlei ziektes.
Wie waren eigenlijk onze vijanden? Grofweg kun je ze in drie groepen verdelen: · Een grote groep plunderende en moordende bendes op militaire leest geschoeid. Op een of andere manier werkten zij soms niet en soms wel samen met het officiële leger. Ik heb wel eens gedacht dat zij voor het vuile werk werden gebruikt, zoals het vermoorden van lokale tegenstanders of van diegenen die met ons meewerkten. · Een groep jonge fanatieke moslims, wisselend bewapend, maar zeer gevaarlijk en niet bang om te sneuvelen. Zij werkten samen met het officiële leger. · Ten slotte het officiële leger, de TNI, met enkele zeer goede divisies zoals bijvoorbeeld de Siliwangi-divisie. Zij hadden een hoog moreel en waren goed bewapend, vaak beter dan wij. Zij waren eigenlijk de enigen waar wij de handen aan vol hadden, hoewel wij hun altijd weer te pakken kregen. Vaak troffen wij bij hen Japanners aan als instructeur, als pelotons- of compagniescommandant enz.
Op 1 april 1946 ondernam onze compagnie, versterkt met een paar pelotons uit andere compagnieën, een aanval op een van de Indonesische steunpunten. De actie duurde een hele dag en werd militair gezien een groot succes. Dit was ook het oordeel van de Engelse waarnemers. Veel wapens werden buitgemaakt en vele Indonesiërs sneuvelden. Het trieste was echter dat ook twee mannen van onze compagnie in de omgeving van Semarang sneuvelden. Zij waren de eersten die vielen. Bij onze terugtocht hebben wij onze gesneuvelden op een handkar gelegd, twee man trokken en twee man duwden die kar. Ik was een van diegenen die de kar duwden. Nog steeds zie ik voor mij die twee paar voeten met bespijkerde schoenen, die mee bewogen bij elke oneffenheid van de weg.
|
 Een gewonde Stoter wordt verzorgd
|
 Gesneuvelden van 1RS
|
In de maanden daarna voerde ons bataljon diverse patrouilles, hinderlagen en gevechtsacties uit. Het resultaat was dat wij in november 1946 de controle hadden over ongeveer 400 vierkante kilometer. De vijand was steeds zware verliezen toegebracht, maar wij hadden ook onze verliezen. Iedere keer kwamen wij weer 'thuis' met een of twee gesneuvelden of zwaargewonden. De vijand verloor een veelvoud en vaak in een verhouding van 1 op 50 of zelfs meer. Vaak maakten wij hun hele bewapening buit.
Wat wij nooit hadden verwacht en wat toch kwam, was een aanval op de stad Semarang op 4 augustus 1946. Volgens mij was het een grote fout van onze inlichtingendienst dat wij hier geen informatie over hadden gekregen. Onze compagnie lag als reserve in de stad waar wij in alle vroegte werden gewekt door artillerievuur. Met de meeste spoed werden wij op vrachtwagens geladen en vervoerd naar de rand van de stad waar wij de opdracht kregen de vijand in de rug aan te vallen. Prompt kwamen wij daar onder artillerievuur te liggen dat onze pelotons-commandant een stuk van zijn bil kostte. Zelf sloeg ik tegen de grond met een flinke bloeduitstorting in mijn linkerbeen, ik denk door een opspattende steen. Hij werd afgevoerd en wij gingen verder totdat wij op de vijand stootten, bijna lijf aan lijf. Het werd geen zwaar gevecht, de groepen die wij tegen kwamen, waren gedemoraliseerd en boden slechts plichtmatig tegenstand. Ikzelf kreeg de indruk dat zij gedrogeerd waren. Zij lieten zich zo neerschieten. Het was een bloedige tegenaanval. Verdergaand werd de weerstand toch wel feller. De situatie was op een gegeven moment zeer kritiek. Als de vijand er in slaagde om door te breken, werd het een ramp. De post die werd aangevallen, verloor drie mannen en had enkele gewonden. Die post werd door ons 'Post Jef' genoemd. Onze mannen die sneuvelden in 'Post Jef'' waren beslist dapper. Zij behoorden tot de bezetting van een lichte mitrailleur. Steeds hun dode maat achter het wapen vervangend, werden zij, de een na de ander, neergeschoten. Er moeten een paar goede scherpschutters bij de vijand hebben gezeten. De vijand leed zware verliezen. Overal lagen en hingen gesneuvelden in het prikkeldraad. Het was voor ons onbegrijpelijk dat de Indonesische legerleiding zoveel mensen zo maar de dood in joeg. Het droevige bij 'Post Jef' was dat de vijand, toen zij terug trokken, moordend door een nabij gelegen kampong trok. De week daarop deden zij wederom een poging maar nu waren wij voorbereid. Voordat de aanval goed en wel begon, werd zij in de kiem gesmoord. Ook toen weer waren hun verliezen zwaar.
Hoewel wij de vijand goed aankonden, dreigde voor zover ik mij herinner, in één geval een grote aanval van ons op een van hun stellingen fataal af te lopen. Met een drietal compagnieën moesten wij een vijandelijke positie opruimen. Daartoe moest onze compagnie hun stelling aan de linker flank aanvallen. Dat ging aanvankelijk goed totdat wij op een gegeven moment volkomen vast liepen. De radiotelefonist sneuvelde, de radio werd aan flarden geschoten en vervolgens sneuvelde een luitenant. Wij waren in het vijandelijke vuur volkomen vastgelopen. Wij zijn met veel moeite teruggetrokken en toen wij weer aankwamen op onze uitgangspositie werden wij gehergroepeerd en moesten wij de vijand frontaal aanvallen. Dat ging wonderwel goed. De achterliggende gedachte van deze laatste aanpak was, dat wij de vijand niet het gevoel wilden geven dat zij van ons konden winnen. Dat zou hun respect voor ons verminderen met alle gevolgen van dien.
Wij van onze kant deden al het mogelijke en gebruikten alle mogelijke middelen om de vijand schade toe te brengen. Zo herinner ik mij dat een vijandelijke groep (een compagnie?) dreigde te ontsnappen en die ontsnapping gebeurde langs een heuvelrug die begroeid was met droge alang-alang (een heel hoge grassoort). Wij slaagden er in met een snelle actie deze alang-alang in brand te steken zodat de vijand weer in onze richting werd gedreven. Hierdoor werd de actie alsnog met succes afgerond.
|
 Alang-alang
|
 Het is geen polderland
|
Van die moordende bendes en soms ook van de moslimgroepen had vooral de bevolking te lijden die in de kampongs ver buiten de stad woonden. Zij werden vaak beroofd en diegenen die ervan verdacht werden met ons samen te werken, werden eenvoudigweg van kant gemaakt en niet altijd op een prettige manier. Ook smokkelaars die rijst smokkelden naar de stad werden, als zij werden betrapt, op een gruwelijke manier van kant gemaakt. Wij kenden de smokkelroutes en door middel van patrouilles en hinderlagen werden die routes zoveel mogelijk beschermd. De stad had die rijst broodnodig.
Vaak eindigde een militaire actie in een humanitaire actie, zoals in het volgende geval. Aan het eind van een bepaalde actie kwam een oude man naar ons toe en smeekte ons om met hem mee te komen. Wij deden dat en troffen in een hut op een smerig bed in een kuil een jonge man aan die een afgrijselijke ziekte had. Een hospik gaf hem een spuitje tegen de pijn en vier jonge Indonesiërs legden hem op een 'bale-bale' en droegen hem naar een van onze auto's, vele kilometers terug. Hij werd met zijn vader door de medische staf vervoerd naar Semarang. Ik heb later gehoord dat zijn ziekte elefantiasis (oliefantsziekte) heette. Vaak troffen wij bewoners aan die zonder medische zorg en goede voeding door de republiek in de steek werden gelaten. Zij leden vaak aan de meest afgrijselijke ziekten. Zo troffen wij een drietal mannen aan die in een kuil waren gelegd, afgedekt met matten vanwege de enorme stank. Zij rotten werkelijk weg en stonken heel erg. In dit soort situaties deden wij wat wij konden.
Waar wij veel moeite mee hadden, was het feit dat soms onschuldige inheemse bewoners werden getroffen. Dat deed ons werkelijk pijn. Maar vaak was de vijand daar mede schuldig aan omdat zij zich achter burgers verscholen. Bij een aanval op een vijandelijke stelling die zwaar werd verdedigd, bleken vrouwen en kinderen van de vijandelijke soldaten verscholen te zijn in overdekte loopgraven en dat heeft vele onschuldige levens gekost, zoals wij later tot onze ontzetting merkten. Het was een oude vooroorlogse gewoonte in Indonesië om vrouwen en kinderen in de kampementen te laten verblijven. De Ambonezen die bij het KNIL in dienst waren, deden dat ook nog steeds.
Uiteraard werden door ons ook krijgsgevangenen gemaakt, soms een paar, soms vele tientallen. Zij werden door ons goed behandeld. Wel kregen zij wel eens een trap of een stoot met een geweerkolf wanneer zij niet wilden wat wij wilden en niet wilden lopen waar wij wilden lopen. Terug in de basis werden zij overhandigd aan de inlichtingendienst.
|
 Het ging ook wel eens mis
|
 Door de kali
|
Mij is wel eens gevraagd of wij geen angst kenden. Angst daar hadden de meesten last van. Angst die je keel dichtkneep zodat je voor je gevoel alleen maar schor kon praten. De kunst was echter die angst onder controle te houden, hierbij geholpen door de aangeleerde zelfdiscipline. Soms denk ik dat het geen angst was maar opgekropte spanning. Je blijft logisch denken en je volgt feilloos de bevelen op. Zo gauw de eerste schoten vielen, was je die angst of spanning kwijt. Uit latere confidenties bleek dat ook de officieren dezelfde gevoelens hadden als wij, de gewone soldaten. Niet altijd voelden wij angst, zoals gedurende de eerste gevechtsactie. Je was opgewonden en gespannen. Ook tijdens de eerste politionele actie geen angst maar wel gespannenheid.
De contacten met de Nederlanders, de Indische Nederlanders, de Chinezen en meestal ook met de Indonesiërs waren goed. De contacten met de Indonesiërs in de kampongs waar wij met onze patrouilles kwamen, waren goed en zeer welgemeend.
Velen van ons hadden een thuishaven gevonden bij de inwoners van Semarang, veelal bij Indische families. Zo kwam ik bij de familie Mager. Ik werd geïntroduceerd door mijn beste maat. Hij had enkele weken daarvoor Ed Mager aangehouden die de ingestelde avondklok aan zijn laars lapte. Mijn maatje bracht hem op naar onze post, 'op de punt van zijn bajonet'. Een merkwaardige aanzet voor een latere vriendschap!
Het was eind juli 1947. Plotseling werden alle militairen geconsigneerd en werden alle verloven ingetrokken. Onze bewapening werd geïnspecteerd, munitie aangevuld en noodrantsoenen uitgereikt. Onmiddellijk ging de geruchtenmolen draaien. Er ging weer iets gebeuren! Op de vooravond van 21 juli 1947 werden wij geïnformeerd. De volgende dag zou de politionele actie beginnen. Vóór de morgen aanbrak, werden wij naar onze uitvalsbases gebracht. Bij het aanbreken van de dag rukten wij op naar Ungaran, een stadje ongeveer 10 km. van onze uitgangspositie. Na een inleidende artilleriebeschieting trokken wij dus op. Wij voelden ons sterk en waren zeer gemotiveerd. 's Avonds kwamen wij in Ungaran aan en wij verbaasden ons dat de vijand zo weinig weerstand had geboden. Hun stellingen waren van zeer goede kwaliteit en geraffineerd en strategisch aangelegd. Hun stellingen waren enige kilometers diep en maakten deel uit van hun gordel rond de stad Semarang. De eerste dag was zwaar, moeilijk terrein, met allerlei belemmeringen. Ook zwaar door de spanning. Wij kregen in de omgeving van Ungaran een plaats aangewezen om te overnachten. In de openlucht, op de modderige grond. Ik viel onmiddellijk in slaap maar werd wakker met geweldige koorts. De dokter werd erbij gehaald en hij constateerde malaria. Ik werd op een brancard vervoerd naar een verzamelplaats waar ook een aantal zwaar gewonde Indonesiërs gereed lag om naar Semarang te worden gebracht. De acties gingen door.
Begin augustus 1947 was ik er weer bij. Medio augustus had de eerste compagnie van ons bataljon de opdracht een vijandelijke stelling te nemen die voor ons bijzonder hinderlijk was. De compagnie nam de stelling maar het kostte hen weer twee doden en zeven gewonden. Het doel werd toch bereikt. De vijand aldaar bleek een onderdeel van de beruchte Diponogoro-divisie te zijn. Het stikte van Japanse instructeurs en commandanten! In het algemeen vonden de gevechten plaats op afstanden van vijftig tot een paar honderd meter. Een heel enkele maal was er direct contact wanneer beide partijen onverhoeds op elkaar botsten. Wat zich dan afspeelt, is zo primitief en afgrijselijk dat het niet te beschrijven valt. Je hoort wat schoten, wat gegil en dan plotseling werd het stil, heel stil ... Zo verloren wij eens twee mannen, één door zijn hoofd geschoten, de ander stierf door een bajonetsteek. Sterven is een moeilijk en dramatisch gebeuren, speciaal als de betrokkene jong en gezond is. Zo'n lichaam wil niet sterven. Ik heb wel eens iemand zien sterven die dodelijk gewond was en hij wilde niet sterven. Hij schreeuwde dat uit en bleef schreeuwen, ook van de verschrikkelijke pijn, totdat een hospik hem een morfinespuitje gaf. De meesten die sneuvelden waren meestal direct dood, behalve een van onze sergeanten die getroffen werd door fosfor uit een fosforgranaat en nog dagen heeft geleefd met verschrikkelijke pijnen, liggend in een bad. Over één zaak zijn wij bij 1 RS bijzonder trots. Nooit, al was het nog zo gevaarlijk, hebben wij onze gewonden of gesneuvelden achtergelaten.
|
 Omgeving Kopeng
|
 Compagniescommandopost in Setoegoer
|
Na enkele andere acties bezette onze compagnie begin september 1947 de plaats Kopeng, westelijk van Salatiga. Een mooiere plaats had ik nog niet eerder gezien. Het was oorspronkelijk een buitenplaats voor Europeanen, hoog in de bergen met prachtige bungalows voorzien van open haard en zwembad. Veel was echter vernield. Wij waren enorm trots op onze prestaties. Militair gezien, deden wij het bijzonder goed. Vaak echter, als je alleen was, bekroop je een gevoel van onbehagen. Al die levens van die bruine jongens van de vijand, die door ons hun einde vonden. Dan bekroop je een gevoel van zinloosheid. De praktijk van alle dag.
De aanval op en de bezetting van Demak, oostelijk gelegen van Semarang, was ook de dag, als ik mij goed herinner, dat de Veiligheidsraad in greep. Dat ingrijpen kwam ons zeer ongelukkig uit omdat in feite de opstelling van onze troepen voort kwam uit het gedachte einddoel van de actie: Solo en Djokja. Onze opstelling was op dat moment zeer kwetsbaar. Dit ingrijpen door de Veiligheidsraad was voor ons een slechte boodschap. Wij waren ontzet! Als onze officieren ons hadden bevolen om door te gaan dan hadden wij dat gedaan. Het enige wat ons nu nog te doen stond, was onze opstellingen consolideren en het vaststellen van een demarcatielijn: de zogenaamde Van Mook-lijn. Die lijn kwam er per medio oktober 1947.
Wij werden uiteindelijk gelegerd nabij Setoegoer, een klein gehucht westelijk van Salatiga. Ons bataljon had de bewaking van de hele zuidkant en een deel van de westkant van het district rond Salatiga toegewezen gekregen, een geweldige klus. De pelotons lagen vaak vele kilometers uit elkaar en toch moesten wij dit gebied vrij houden van vijanden. Regelmatig werden wij hier beschoten vanuit de demarcatielijn. Wij begonnen moe te worden. Het vuur was er een beetje uit. Wij bleven echter doorgaan, je kon niet anders.
Op 11 januari 1948 hebben wij onze taak overgedragen aan een ander bataljon en werden wij verplaatst naar Semarang, daar waar het allemaal begonnen was. Ook onze bewapening moesten wij overdragen en het was bijzonder vreemd om geen wapen meer te dragen. Het gaf je een gevoel van onveiligheid. Twee jaar was je geen minuut zonder wapen geweest. 's Nachts stond het binnen handbereik naast je tampat.
|
 1948, Ereveld Tjandi bij Semarang
|
 Prins Bernhard ontvangt Stoters, februari 1948
|
Er was een bataljonsappèl op 22 januari 1948 op het militaire kerkhof in Semarang. Hier moesten wij onze gevallen kameraden achterlaten. Het waren moeilijke momenten toen wij vervolgens werden ingescheept op de Zuiderkruis. Wij voeren naar Batavia, kregen daar 'Europese' kleding en gingen definitief op weg naar Nederland op 24 januari 1948.
Het verblijf op de boot was een openbaring, het eten was heerlijk en overvloedig, zo hadden wij in jaren niet gegeten. In Indonesië was onze voeding altijd zeer sober geweest. Aan boord was alles goed geregeld, wij hadden allemaal onze taakjes toegewezen gekregen. De reis verliep vlekkeloos behalve dan een stormpje nabij Gibraltar en de Noord-Afrikaanse kust.
Op 17 februari1948 legden wij aan de kade van Rotterdam aan. Prins Bernhard kwam aan boord om ons te verwelkomen. Op 18 februari werden wij met een autobus thuis afgezet. Op 26 februari hadden wij een groot defilé in Den Bosch, waarna wij in maart in Huis ter Heide werden gedemobiliseerd. Onze verlieslijst (1ste Bataljon RS) is: Vele licht gewonden en zieken. 123 zwaar gewonden 49 gesneuvelden Wij, de grote rest, kwamen thuis maar met de grote vraag: "WAT NU?"
Hiermee beëindigen wij de verhalen van Jan Zwart, Stoottroeper van 1 RS. Veel dank zijn wij verschuldigd aan Wim Schreur (U) die waar nodig terecht correcties heeft aangebracht en aan mevrouw Zwart en haar zoon Huub die toestemming hebben gegeven voor publicatie in Strijdend Nederland. De redactie heeft gemeend met deze serie van 6 (ingekorte) verhalen vooral de actief dienenden en de jonge veteranen een indruk te geven van de belevenissen van een jonge Stoter in de jaren 1944-1948. In die tijd net zo jong als de huidige jonge Stoters bij 13 Infanteriebataljon Luchtmobiel RSPB en 11 Mortiercompagnie 'Margriet' AMB RSPB in Assen. Maar ook de oudere lezer zal ongetwijfeld herkenbare dingen zijn tegengekomen. Waar 1 RS wordt gelezen, zal ook vaak de naam van een ander Stoottroepenbataljon ingevuld kunnen worden. De titel 'Limburgse herinneringen' is alleen maar gekozen omdat deze herinneringen voortspruiten uit de geest van een Limburgse Stoter. Als het om idealen of plicht, beleving, inzet, leven en dood gaat, kan in plaats van deze 'naam' eigenlijk elk Stoottroepenbataljon worden gelezen. GdW
|
Bron: Strijdend Nederland: 57e Jaargang 2 december 2003
|