In Bladel aangekomen, na een reis van Utrecht zonder enig voorval, liepen we langs een landpad naar de boerderij van Herman Tenbult.
Daar aangekomen werden we door de familie en 14 jonge mannen verwelkomd.
Onze gids werd speciaal welkom geheten klaarblijkelijk was hij hier al eens eerder geweest.
Met trots werden wij naar ons kwartier genomen, dat midden in de wei lag onder een ouwe koestal.
Men ging de koestal binnen, in het midden van de vloer lag een vermomd luik dat toegang gaf tot een onderaardse schuilplaats. Het was een meester bouwstuk. De ruimte was onderstut door een houten geraamte en de vloer was bedekt met een dikke laag stro. De ventilatie was door middel van kokers die door struiken gecamoufleerd waren. Het was geriefelijk en kon de twintig van ons best herbergen.
Onze leider was een typische padvindersvoortrekker. Als ik ooit aan iemand een hekel heb gehad dan is het aan fanatieke religieuze leken. En deze man was er een. In het katholieke Brabant moest er op zondag altijd een priester zijn om de mis op te dragen, maar als de plaatselijke pastoor niet komen kon, nam Tom de scoutmaster het op zich om voor ons de mis op te dragen. En of je het nu wou of niet, Katholiek of niet, je was verplicht om het bij te wonen. Wat volgens mij een beetje wel te ver ging, maar je kon er niet onderuit.
Tom onze commandant had twee luitenanten, beiden knappe jongens een blond, Hans die was 21, de ander zwart, Flip was 20. De drie overnachtten op de boerderij. Het was pas later dat we uitvonden dat ze alle drie in hetzelfde bed sliepen. Flip stond bij de Gestapo op de lijst als een van hun favorieten.
Elke nacht moesten zij de geheime ingang achter ons sluiten.
Wij werden door de bevolking van Bladel financieel gesteund. De locale ondergrondse waren de administrateurs. Ik geloof dat Peerke Daniels, de garage eigenaar, de bestuursman was.
Om aan ons onderhoud bei te dragen moesten wij aardappels rooien bij de boeren. We deden dat in ploegjes van twee tot drie man.
Alhoewel er altijd een zeker risico was konden we altijd op een tijdige waarschuwing rekenen, want de Duitser konden altijd op grote afstand waargenomen worden. Dat doet mij herinneren aan de tijd toen we, op weg naar Bladel, van de trijn op de bus stapten en zagen een Hollander in Nazi uniform in de bus! Ik dacht, dat wij met acht man en een leider er zeer zeker verdacht moesten voorkomen. Toen ik hierover met de leider sprak, stelde hij mij gerust. De Nazi was gewaarschuwd, mond houden, of je ziet je boerderij in vlammen op gaan!
Herman Tenbult en zijn vrouw hadden 12 kinderen. Ze waren aardige, bescheiden en een voudige mensen. Het echtpaar Tenbult heeft volgens mijn weten maar weinig erkenning gehad. Speciaal bij mij. Men kan het weiten aan jeugd, weinig levens ervaring, onbedachtzaamheid. In mijn eerste uitgave van dit artiekel gaf ik een zeer negatieve beschrijving van de familie! Jongsleden kreeg ik een total onverwachte 'feedback' van een kleindochter van Herman Tenbult, die in Canada geboren is. Met beschaamde kaken realiseerde ik hoe peinlijk het voor de famielie was. Zei deelde me o.a. mede dat haar vader het artiekel al enige jaren geleden gelezen had. Het drong met een schok door hoe ondankbaar, schandelijk en onbedachtzaam ik was. Het onrecht moet zeer peinlijk voor de familie zijn. Ik zal nooit meer mijn excuus kunnen aanbieden aan Herman en zijn vrouw. Aan de rest van de familie vraag ik om vergeving! Als ik maar even doorgedacht had hoe uitzonderlijk deze familie was. Zonder acht op hun eigen veiligheid en toekomst gaven ze onderdak aan drie en twintig volkomen vreemde mensen, zodat in totaal zeven en dertig mensen hier hun plaats vonden. Twintig vonden onderdak in de ondergrondse schuilplaats die Herman gebouwd had. Het risico, zelfs het vinden van de schuilplaats alleen was zeer groot. De mogelijkheid van ontdekking en execution was zeer rêeel. Het was een heel gevaarlijke toestand. Tweemaal werd ik van de Duitse troepen gered. De eerste keer toen een van de zoontjes me waarschuwde en ervan weerhield naar de wapenschuilplaats te gaan die ondertussen in Duitse handen gevallen was. De twede maal door een waarschuwing konden we, onder de neuzen van een Duitse gevechts patroille, op het uiterste nippertje ontsnappen. De laatste uren die we, vóór onze vrijheid, op de boerderij van een andere boer op daglicht gewacht hebben en nadat we nauwelijks wegwaren, werdt de boerderij omsingeld door dezelfde patrouille. De familie werd tegen de muur gezet en bedreigt. "Waar zijn die partisanen?" De boer hield voet bij stuk. Gelukkig voerden ze de dreigementen niet uit. Maar hetzelfde had de Tenbults kunnen overkomen en wie weet de dreigementen wel uitgevoerd. De Duitsers waren in veel gevallen als gewonde wilde dieren toen ze wisten dat de oorlog voor hun verloren was. Ik kan niet nalaten te denken, als een Australische burger van 58 jaren, als die geschiedenis zich in Australië afgespeeld had dan zouden de Tenbults als bewijs van erkenning een medaille gekregen hebben.
Terug op de boerderij:
Lunch werd verstrekt door de boer waar je op die dag werkte. De meeste boeren hadden een mengsel van groenten, tarwe, zuivel producten, vee, een paar varkens en kippen. Dus het meeste wat je te eten kreeg was van de boerderij. Het kon niet verser zijn.
Het avondeten was goed. Twee van onze jongens waren beroeps koks
Een was een chef in een groot hotel in Amsterdam. Zij wisten van de bescheiden beschikbare middelen heerlijke maaltijden te koken.
Wat de hygiëne betrof was het nogal primitief, achter ons kamp liep een beek waarin we ons konden wassen. Behalve ons dagelijks brood hadden we natuurlijk andere dingen nodig, wat we zelf moesten betalen, zoals b.v. toilet artikelen en rookwaren. We waren dicht aan de Belgische grens en zaten regelrecht in het pad van de smokkelaars die de Belgische shag meebrachten, dat was trouwens het enige rokertje dat te krijgen was. Het was een donker gekleurde tabak, heel fijn gesneden in lange draden. Niet alleen zag het er naar zeegras uit maar smaakte ook zo. Maar het was als je maar ergens van puffen kon.
Terwijl we het toch over smokkelaars hebben op een nacht een paar smokkelaars besloten om even uit te blazen en bij de pakken neer te gaan zitten. Het toeval wilde dat ze vlak naast de uitlaat koker van de ventilatie, gecamoufleerd door een struik, zaten. We hoorden hoe ze hun lading neerplonsden en konden hun gesprek beluisteren. Op een gegeven moment een van onze jongens, die hooikoorts had, begon te niesen. Nog nooit hoorden we iemand zo snel uit de voeten gaan. Op een andere nacht kregen we visite van een Duitse patrouille die besloten op dezelfde plaats even uit te blazen. We wisten dat het Duitsers waren want we konden hun horen praten. Deze keer konden we het risico niet nemen en moesten de jongen met hooikoorts praktisch smoren om onze positie niet te verraden.
's Zondags onze vrije dag, behalve de mis van onze zure bleke Leider Tom bijwonen, hadden we na de zondagse maaltijd de vrijheid om buiten twee aan twee in de omgeving te wandelen. Volgens onze informatie waren er geen Duitsers in de buurt. Ondertussen rolde de oorlog meer en meer onze kant op.
De Geallieerden waren doorgestoten in België en hadden Antwerpen en Brussel genomen.
We begonnen meer hoop te krijgen, want na de eerste doorstoot in Normandië de actie was niet zo vlot meer sinds de Duitsers ondanks alles hardnekkig weerstand boden.
Een ding was zeker, wij zouden actief deel gaan nemen zodra de actie ons bereikte.
Tom vertelde ons een paar of de acties die van ons verwacht werden, zoals de bewaking van de brug om te verhinderen dat de Duitsers het op zouden blazen. Hij maakte de indruk dat hij op order van boven handelde. Wij werden van oranje armbanden voorzien om aan te tonen dat we nu partizanen waren. Op onze vraag of we de orders met stokken en stenen moesten uitvoeren, verzekerde hij ons dat wapens op weg waren. Uiteindelijk konden we de artillerie steeds nader horen als het front bij de dag dichterbij kwam.
In afwachting van de dingen die komen zou bereiden we ons voor op eventuele situaties. Een maatregel was om een schuilplaats te maken voor wapens en ammunitie. Er werd een kuil gegraven met een deksel gecamoufleerd. Deze kuil was vlak bij de beek. We werden steeds meer opgewonden in afwachting van de dingen die komen zouden. Het front kwam steeds dichterbij iets wat waar te nemen was doordat meer en meer Duitsers vluchten door de bossen van zuidelijke richting. Het was een mengelmoesje van alle soort takken van dienst 'Luftwaffe" Wehrmacht, enz. Dit was de eerste keer dat ik wanorder onder de Duitsers zag niet alleen dat maar ook plunderingen. Van allerlei voertuigen van paard en wagen, handkarren, fietsen tot zelfs kinderwagens, opgeladen met gestolen goederen. Hoe meer we van deze taferelen zagen hoe opgewondener we werden, Dit was echter heel gevaarlijk want het maakte ons te zorgeloos omdat we de situatie onderschatten.
--O--O--O--
Toen kwam de zondag de 17e Sept. 1944. We hadden juist de Zondagse lunch achter de rug en gingen ons gewoonlijke wandelingetje maken, toen opeens zich een beeld vertoonde nog nooit tevoren gezien.
Honderden van vliegtuigen kwamen laag over de bossen aangevlogen, de ene golf na de andere.
De meesten waren Dakota's transport vliegtuigen, velen trokken gliders met zich mee.
De Duitsers moeten net als ons stomverbaasd geweest zijn, want voor een paar, wat scheen minutenlang gebeurde niets, maar dan it was 'hell and thunder' toen de Duitsers met allerlei soort wapens begonnen te schieten. Het was alsof ze in een schiettent zaten ze konden het ene vliegtuig na het andere afpikken, maar de rest vloog steeds gestadig door. Al spoedig stortten ettelijke vliegtuigen neer, terwijl we dat stomverbaasd stonden aan te zien vlogen ons de kogels om de oren. Het rare was je trok je er niets van aan alsof je er niet bewust van was. Dakota's in brand lieten hun gliders los die dan een goed heenkomen zochten.
Parachutisten hingen in de lucht maaiden met hun Tommyguns wild naar beneden als in machteloze woede, totdat ze plotseling stil bleven hangen. Ik zag een vliegtuig waarvan de romp middenonder door een granaat geraakt werd, met als resultaat dat het vliegtuig in tweeën brak. De parachutisten rolden eruit als lollies uit een tube die met twee handen gevat wordt om de beide enden bij elkaar te vouwen.
Ondanks de vele verliezen de rest bleef en-masse doorvliegen met hun doeleinden, Eindhoven, Nijmegen en Arnhem. Plotseling zag ik mijn broer Hennie en twee anderen in de richting van een bos rennen volkomen negerend het machinegeweer vuur dat van alle kanten kwam. Het was waarschijnlijk het schuldgevoel dat, toen we als kleine jongens bij de Schiekade aan het spelen waren, ik als oudste broer verantwoordelijk was, hem achtergelaten had, toen hij weigerde mee te komen. Toen ik thuis kwam stond de ambulance voor de deur die net mijn bijna verdronken broer afgeleverd had. Het was dat schuldgevoel dat me ertoe dreef achter hem aan rennen, schreeuwend dat hij terug moest komen of dekking zoeken! Dan plotseling zag ik waar zij heen liepen. Een Amerikaanse glider had een noodlanding gemaakt net achter het bosje zodra het vliegtuig landde raakte de vleugel een boom zodat het toestel rondzwaaide. Toen we het toestel benaderden ging de neuskoepel omhoog en de laaddeur of klep ging omlaag en een jeep verscheen. Een soldaat sprong op de grond en nam met een machinegeweer stelling terwijl de chauffeur met bloedige mond naar beneden reed. Ogenschijnlijk was bij de landing zijn gezicht tegen het stuur geslagen.
Een reus van een vent klaarblijkelijk een officier, met kaart in de hand, vroeg ons de kortste weg naar België. Hij wilde terug naar zijn basis. We vertelden hem (een van ons, een student, sprak Engels) dat het onmogelijk was, de bossen wemelde van Duitsers. Wij stelden voor dat ze het triplex toestel in brand staken, hun wapens meenemen en dat wij hun konden verbergen. Helaas de officier had hier geen oren naar en bleef naar de ´mainroad' naar België vragen, als een toerist die naar de weg vroeg.
Op dat ogenblik daagde een van de bevolking op die ons zich als een van de plaatselijke ondergrondse voorstelde. Hij bood aan de Amerikanen door te loodsen. De Amerikanen namen het aanbod gretig aan. Hij ging op de motorkap zitten en zo reden ze weg. Toen ze aan de Noordelijke rand van het bos aankwamen liet hij stoppen sprong van de jeep en wees in de richting die ze gaan moesten. De Amerikanen reden argeloos in een Duitse val en werden allen met een kopschot afgemaakt en werden dan met het hoofd naar beneden in fox/holes gegooid.
Operatie Market Garden was maar een gedeeltelijk succes. Van de drie doelpunten Eindhoven was veroverd bij de Amerikanen. Maar niet voordat de brug bij Son opgeblazen was door de Duitsers. Nijmegen viel aan de Amerikanen 2 dagen later. Ondertussen vochten de Engelse en Poolse parachutisten een hevige en heldhaftige strijd bij Arnhem die totaal hopeloos was, voor de nu welbekende redenen. De geallieerden stonden tegenover een grote overmacht in Arnhem, die in sterkte en bewapening een hevig overwicht had.
De 30ste British Army, die in 2dagen hun bereiken moest, bleef steken.
De Britse Intelligence had schromelijk de sterkte van de Panzertruppen onderschat, ondanks de waarschuwing van de Nederlandse Ondergrondse. Het gaat buiten mijn verhaal hier verder op in te gaan en er zijn betere bronnen te vinden in boeken en documenten.
Mijn persoonlijk idee is dat men had zich teveel op de wanorde en het gebroken moreel van de Duitsers verlaten had in deze laatste dagen. Het snel optrekken van de Geallieerden veroorzaakte een hoop paniek, desertie en battle-fatigue bij de Duitsers. Velen wilden maar liefst capituleren. Maar ondanks dat waren er nog veel ervaren en fanatieke officieren en onderofficieren, die de restanten van allerlei wapens en onderdelen bij elkaar dreven en in een gevechtsformatie vormden om stand te houden.
Dit gebeurde herhaaldelijk zowel in het Zuiden als bij Arnhem.
Ondertussen waren de Engelsen langzaam aan van België de Brabantse grens genaderd.
De Amerikanen hadden Limburg Zuid bevrijd.
Het zag er allemaal goed uit en wij waren in een vreugde roes. Het eind was nabij het zou allemaal spoedig over zijn. De Canadezen waren druk bezig om Zeeland te nemen waar nog verbitterd gevochten werd. De vijand had het land onder water gezet en er was geen spoor van paniek bij de Duitsers.
Wij overwogen wat onze taak zijn zou? Volgens onze leider moesten we de brug, die ons met het dorp verbond, bewaken. Wat onze bewapening betrof om die taak uit te voeren; 'ze zijn op komst!'
Twee dagen later twee Britse Bren-carriers naderden voorzichtig de brug. - Wij waren ons er totaal niet van bewust dat de Duitsers zich al rondom ingegraven hadden!- Had de plaatselijke ondergrondse ons daarvoor kunnen waarschuwen?? Een post had zich al dicht bij de brug, aan de overkant, ingegraven. Zodra de twee carriers verschenen vuurde de post een Panzerfaust en schakelde de eerste carrier uit en de crew werd gewond.
De bemanning van de tweede carrier sleepten de gewonden naar de tweede carrier en maakten een haastige terugtocht. Totaal onbewust van de aanwezigheid van de twee Duitsers in de post wij kropen over en in de carrier en vonden een hoop ammunitie hand granaten, fosforgranaten, bandelieren met patronen, kistjes vol. Ook was er een reserve loop voor de Bren in een foedraal. Wat het toen was wisten we niet maar we namen het toch maar mee. Echter wat we zochten was er niet, -WAPENS!-
We waren met z'n zevenen, mijn broer Hennie en de 12 jarige zoon van Herman Tenbult. inbegrepen.
Na het sorteren en opstapelen van de spullen die we hebben wilden vijf, Hennie inbegrepen, namen wat ze maar dragen konden terwijl ik met het boerenzoontje achterbleef totdat de anderen terug zouden komen om de rest op te pikken. Het idee was om de spullen in de geheime schuilplaats te bergen die we juist voor dat doeleinde gemaakt hadden. Na nogal lang wachten en geen spoor van de jongens om de rest op te pikken, besloot ik om met de jongen te dragen wat we konden en ons naar de schuilplaats te begeven. We droegen drie kistjes één elk in de ene hand de derde tussen ons. Terwijl we langs het pad liepen hoorden we plotseling het knetterend vuren van machine pistolen vlakbij. We gingen onmiddellijk van het pad af, in het bos tussen de struiken lopen.
Plotseling daagde een andere zoon van de boer op die ons waarschuwde onder geen voorwaarde naar de kuil maar regelrecht terug naar de boerderij. We lieten de ammunitie achter. Bij de boerderij aangekomen, hoorden wij het verhaal. Hans en Flip (twee van de zeven die bij de carrier waren) waren door de Duitsers gevangen genomen. Hennie en de twee anderen hadden zich het vege lijf gered.
Toen de vijf bij de kuil aangeland waren, begonnen ze de ammunitie in de kuil te laden. Hennie en de twee anderen stonden in de kuil, terwijl Hans en Flip boven stonden en de munitie aan reikten. Plotseling Hans zag een soldaat in een camouflage blouse en een machine pistool onder zijn arm vlak by staan.
Hier is een Tommy zei hij en haalde zijn partizanen armband uit zijn zak. Hij liep naar de soldaat en onmiddellijk stak zijn handen op.
Flip, de enige van ons die een wapen had, 9mm pistool, trok zijn wapen en liep achter Hans met de bedoeling hem bij te staan, maar ook hij stak zijn handen hoog. Hennie had de tegenwoordigheid van geest om de situatie op te sommen en riep: 'Weg van hier'. Het was een kwestie van leven of dood.
Als gekken kropen ze de kuil uit en doken onder een hagel van kogels in het koren. Dat was het pistolen geknetter dat ik gehoord had. Ze moeten hierbij een wereld record gehaald hebben in snel kruipen. Het was een wonder dat ze er heelhuids van af kwamen.
Terug op de boerderij we verzamelden in de grote schuur waar een hooiberg, die hol in het midden was, stond. Wij verdwenen in de holte van de hooiberg terwijl een man buiten op wacht stond. Onze glorieuze Leider Tom, stond er nog steeds op dat we de brug moesten bewaken. Wij vroegen opnieuw, wat gaan we voor wapens gebruiken? Stokken en stenen?
Toen opperde ik een briljant idee! Zou het niet wijzer zijn om eerst iemand op verkenning te sturen?
Ik had m'n grote mond moeten houden want wie werd voor de job uitverkoren, geen prijs voor raden!
Er werd een fiets geleend en ik ging op weg. Langs het pad naar het dorp, over de brug en een plotseling; "Halt, wo geht's denn hin?" Verstijfd van angst reageerde ik met een antwoord in het Hollands. "Ik moet naar het dorp om batterijen te halen, we hebben geen elektriciteit." Ik moest het een paar maal herhalen om dan de klank meer naar het Duitse te buigen door batterijen te zeggen. Dat verstonden zij. Het was zoals, naar ik dacht, een boerenjongen zou reageren. De post was zo goed gecamoufleerd dat ik ze niet zag totdat ze me aanriepen. De twee Duitse soldaten in de put hadden een panzerfaust! Dat verklaarde de schade aan de brencarrier! - "Du wahrst am Panzer heute!" - Iets wat ik natuurlijk hevig ontkende. Ondanks dat, bleven ze het volhouden maar ik bleef ontkennen. - Wo sind die Tommies? - Met een zwaai van de arm, "Oh die zijn nog ver weg" (Alsof ik het wist?)
Ze lieten me doorgaan, maar zo snel mogelijk naar het dorp en terug, want er wordt hier gevochten.
M'n reis werd voortgezet en al fietsende overwoog ik hoe ik de dood ontsprongen was. Als ze mij gefouilleerd hadden dan was de oranje armband uit m'n binnenzak te voorschijn gekomen. Al peinzend werd ik ineens opnieuw aangeroepen door een tweede post verderop de weg. Opnieuw, de put was zo goed gecamoufleerd dat ik het niet gezien had. Deze keer had ik, zonder erbij te denken, in het Duits gereageerd.
Opnieuw kwam het verhaaltje van de batterijen deze keer in het Duits. -Du sprichst gut Deutsch, woher hast du dass gelernt? - "Mein Großmutter wahr Deutsch". Inderdaad mijn grootmoeder van moeders zijde was Duits, maar ik heb haar nooit gekend laat staan Duits van haar geleerd te hebben. In mijn 14 maanden in Berlijn had ik zelfs een Berlijns accent gekregen. Opnieuw kreeg ik toestemming door te gaan -,maar zo spoedig mogelijk terug!-
Als ik aan een boerderij voorbij fietste werd ik ten derde male aangeroepen door een Feldwebel die zich in de voortuin aan het scheren was, hij had een spiegel aan een boom gehaakt. - "Jij mag hier helemaal niet komen hier wordt geschoten, het wordt gevaarlijk, vertel de mensen niet hier te komen, waarom ben je hier?" - Opnieuw werd het verhaaltje van de batterijen aangesleept. "Vooruit vlug naar het dorp en terug!" Nu had ik het niet meer. Ik fietste een stuk door totdat ik buiten gezicht was en ging aan de kant van de weg en verschool me in de struiken. Ik besloot om te wachten totdat genoeg tijd verstreken was, nodig om naar het dorp en terug te gaan. Terwijl ik daar zat kon ik langs de weg een verpleegster in uniform, op de fiets, aan zien komen. Toen ze genaderd was vroeg ik haar wat de toestand in het dorp was. Zij antwoordde dat het geen plaats voor jonge mannen was, noch burger noch Duitser in uniform. De gehate Grüne Polizei was gearriveerd en pikte iedereen op. De soldaten, wie dan ook, werden direct naar het front gestuurd, weigeraars of deserteurs werden of opgehangen of op staat doodgeschoten!
Na een verloop van tijd, naar mijn schatting lang genoeg om naar het dorp geweest te zijn, fietste ik terug.
De tweede post hield me weer aan, maar deze keer was het meer om een beetje conversatie.
Als ik de laatste post voorbij kwam, fietste ik door en zei dat ik geen batterijen krijgen kon.
--O--O--O--
Ik wil nu het verhaal van Hans en Flip vertellen. Ik vond dit uit op onze laatste trip naar Holland, in 1997. Het was een fantastisch verhaal, geschreven in een boek van iemand van Bladel met de naam van Fons Rooimans. Als ik me goed herinner was de titel 'Bladel in de oorlog', waarin van ons als de onderduikers, het verhaal en foto's ook stond. Het boek was goed geschreven, volledig met de feiten, nummers en foto's. Wat natuurlijk veel vorsen / research vereist had. Helaas waren mijn pogingen om een kopie te krijgen zonder resultaat. Fons Rooimans had nog maar een reserve kopie, die al voor iemand bestemd was. Het was natuurlijk een grote verassing zoiets te vinden, maar jammer genoeg veels te laat.
Het boek werd niet meer gedrukt. Tijdens mijn kort bezoek aan de schrijver las ik het verhaal van Hans en Flip en moet ik daarom me helemaal op mijn herinnering toe verlaten.
Frans Rooimans was in de Bladelse Ondergrondse, die zich het als taak gesteld het allemaal in een boek vast te leggen. Het was een verbazend werk van onderzoek van archieven aan beide kanten. Het opsporen en vinden van overlevende getuigen, was een mirakel. Na door de staat van dienst van duizenden Duitsers in het archief doorzocht te hebben vond hij een getuige die nog levend was.
Zo hier volgt dan het verhaal van de twee jongens. Zij waren gevangen genomen bij een patrouille van Duitse parachutisten (vandaar de camouflage jacket, wat veel op een Engels commando jacket lijkt).
De jongens waren gekleed in blauwe overall wat veelal door illegale of ondergrondse werkers gedragen werd. Zij waren op heterdaad betrapt en werden afgemarcheerd met hun handen hoog.
Twee jonge boeren ook in blauwe overall gekleed waren nieuwsgierig en kwamen op het lawaai af om een kijkje te nemen. Zodra de Duitsers hun zagen werden ook zij gevangen genomen en moesten met hun handen omhoog meelopen. Toen ze de boerderij van de jonge mannen voorbij kwamen, liepen twee kleine kinderen naar buiten met hun handen omhoog en vroegen papa kunnen wij ook meedoen.
Een van de Duitsers verstond Nederlands en zag in dat de twee boeren geen partizaan waren. Dit redde hun van een zekere executie. De Duitsers dan vroegen om een zaag en touw. Zo marcheerden ze door het bos totdat ze halt hielden en de jongens moesten tegen een boom staan met de handen hoog. Er werd een vuurtje gestookt, waarvoor de zaag gecommandeerd was om hout te zagen, om hun maaltijd op te warmen.
Nadat de parachutisten gegeten hadden, begonnen ze met de ondervraging. Het is me niet duidelijk of het touw gebruikt werd om de jongens te binden.
(Het verhaal van de Duitse getuige was hoogst waarschijnlijk een gezuiverde uitgave om het zo gunstig mogelijk weer te geven.) Volgens hem was hij een ordonnans op zoek naar zijn onderdeel toen hij bij deze scène belandde. Hij had een meest merkwaardig geheugen voor detail, hij kon plaatsnamen, afstanden en tijden nog precies herinneren. Natuurlijk was zijn verhaal van dien aard dat het hem in een volkomen neutrale positie stelde. Niet in staat zijnde om het boek te raadplegen moet ik me op mijn geheugen verlaten. Maar toen de ondervraging begon was er een officier aanwezig. Het kan zijn dat de soldaten hun maaltijd hadden terwijl ze op de officier wachtten. Na de ondervraging werden beide jongens met een schot in de nek afgemaakt. Een van hun toonde nog teken van leven en werd nog een paar maal geschoten.
Daarna werden ze beiden ieder in een eenmansput, met het hoof omlaag, gegooid. Zo werden ze gevonden nadat het terrein van Duitsers gezuiverd was. Ik geloof dat ze bei de schrijver van het boek gevonden werden. De lijken werden met paard en wagen naar de "Hoeve", ons onderkomen voor de laatste twee en half maanden, gebracht. Ik werd verzocht om de jongens te identificeren. Ik kon ze alleen maar herkennen bij hun kleding en het verschil in lichaamsbouw. Doordat ze ondersteboven in de putten gestort waren, kon men de gezichten, die paars waren, niet meer herkennen. De hoofden waren op een groteske manier gezwollen. Dat het verhoor niet pure woordelijk was kon geconcludeerd worden doordat Flip (de brutaalste van de twee) zijn mond totaal verbrijzeld was. Dit feit werd niet door de getuige vermeld!
--O--O--O--
Om mijn verhaal van de verkenning weer op te vatten. Terug op de boerderij bracht ik rapport uit dat het hopeloos zijn zou om ongewapend een brug te verdedigen die al in Duitse handen was. Een feit bleek, dat wij totaal niets wisten van de aanwezigheid Duitse troepen in onze onmiddellijke omgeving. We konden niet terug naar onze schuilplaats want het was heel waarschijnlijk dat het in het gezichtsveld van de Duitsers was gekomen. In de hooiberg de stemming was erg bedrukt, we hadden twee van onze kameraden verloren en de realisatie van de hachelijke situatie waarin we ons bevonden.
Het begon te schemeren en ik ging uit de hooiberg om even met de wachtpost te praten, buiten gekomen zag ik de familie van Herman Tenbult aan de overkant van het pad voor het huis waar de overburen woonden, die waren dus, zoals ze het noemden, even aan het buurten. Toen ik verder langs het pad keek zag ik een colonne in ganzenrij naderen, het was te donker om te zien wat voor mensen het waren. Allerlei gedachten gingen door me heen, wie waren het waren het, boeren die met schoppen over de schouder van het veld terugkwamen? Maar normaal boeren werken niet tot donker en als het boeren waren wie waren het? Als het Duitsers waren dan moesten de boeren ons toch waarschuwen! Terwijl die gedachten door mijn hoofd gingen kwam plotseling een van de boeren jongens als het ware uit het niets te voorschijn, - "Vlug, vlug de Duitsers. Een gevechtspatrouille van peloton sterkte was uitgestuurd om ons te krijgen. Gelukkige was de deur van de schuur buiten het gezichtsveld van de naderende patrouille, zodoende was het mogelijk ongezien weg te komen. door in een bijna droge beek. te springen en renden we gebukt weg.
Achteraf beschouwd we hadden het wel op onze vingers na kunnen tellen.
Op de eerste plaats de Duitsers moeten onze activiteiten met de Amerikanen waar genomen hebben.
Net zoals ze ons gade sloegen toen we de carrier bij de brug leeghaalden, wij waren er ons volkomen onbewust van hoe dichtbij ze waren. Men kan ze alleen maar bewonderen om de vuurdiscipline die ze hadden. Hier zaten wij in het volle zicht terwijl ze met belangstelling ons gade sloegen en geen schot losten.
-Het tafereel van de Duitsers in volle vlucht in volkomen wanorde en paniek, had ons in slaap gesust, wij dachten dat het einde nabij was. De snelheid waarmee de geallieerden vorderden en de belofte dat we wapens zouden krijgen. Maar herhaaldelijk ervaren front- officieren en onderofficieren vingen de vluchtende soldaten op en vormden het mengelmoesje weer in eenheden om door te vechten, het gebeurde in Arnhem en later in de Ardennen en andere plaatsen. Ondertussen waren wij op de vlucht, het was nu donker en we waren uit de beek en liepen door de weilanden de een na de ander, over prikkeldraad, over sloten en andere hindernissen. Terwijl we diagonaal over een wei liepen, gingen we plotseling allemaal plat tegen de grond. Tot vandaag aan de dag weet ik nog steeds niet hoe dat gebeurde, want er was geen bevel of signaal om dat te doen! Ik lichte mijn linkerarm een beetje zodat ik eronderdoor kijken kon zonder het wit van mijn gezicht te verraden. Aan onze linkerkant verder op zag ik de lichtstraal van een lantaarn over de wei zwaaien. Een paar seconden later het licht verdween. Het bleek dat de patrouille de wei overstak ook in diagonale richting maar aan de tegenovergestelde zijde, ook waren ze seconden eerder het kruispunt voorbij waar wij overstaken. Men kan zich voorstellen wat er gebeurt zijn zou als we elkaar getroffen hadden. In de volgende wei werd halt gehouden waar we een beetje tot rust kwamen en stuurden twee scouts vooruit naar een boerderij die verderop lag, om de boer te vragen of we daar onderdak konden krijgen voor de rest van de nacht.
De scouts kwamen terug met de boodschap we werden verwacht.
Bij de boerderij aangekomen zaten we op de vloer langs de muren in een kring in de grote keuken.
De familie verzorgde ons met boterhammen en drank. Ondertussen iemand werd uitgezonden naar de plaatselijke agent van de marechaussee. Die wist precies waar de Duitsers waren en de Engelsen.
Bij dageraad kwam hij en loodste ons door de bossen. We hielden halt aan de rand van een grote weg.
Toen de kust veilig was gingen we paarsgewijze over de weg. Aan de andere kant van de weg liepen we door tot waar hij had aangeduid de Engelse posities waren.
Ondanks onze opgetogen vreugde dat wij vrij waren namen de Engelsen het nogal laconiek op. Waarschijnlijk was dat tafereel niets nieuw voor hun.
Het was natuurlijk moeilijk om een conversatie aan te gaan met ons gebrek aan Engels, maar het lukte me toch om het duidelijk te maken dat we niets te roken hadden. Na een paar haaltjes aan een echte Virginia sigaret moest ik duizelig gaan zitten. Dit was geen Belgische shag.
EERSEL: De plaats waar we aanbeland waren was Eersel, bekend voor de sigarenindustrie.
Wij werden ondergebracht in het Nonnen klooster die ook een kostschool voor meisjes huisde.
De nonnen waren fantastisch ze huisden ons op de zolder van de school. Door middel van stro en spierwit beddengoed werden we van bedden voorzien. Katoenen onderhemden en meisjes directoires om ons niet meer zo schoon ondergoed te vervangen.
De maaltijden waren heerlijk appels waren in seizoen dus veel appelmoes, hete bliksem en als je nog appels lustte kon je ze van de bomen plukken.
De nonnen hadden een hoop te verdragen met twintig uitgelaten jongens.
De volgende morgen kwam de zoon van de boer die ons de vorige nacht geherbergd had. Hij vertelde ons dat, we waren nog maar nauwelijks weg toen de boerderij door een troep Duitsers omsingeld werd, iedereen moest buiten tegen de muur staan, Zij, onder dreigementen, vroegen waar de partizanen waren en beschuldigden de boer van het verbergen van de partizanen! De boer met een wapen op hem gericht bleef hardnekkig ontkennen. Zelfs toen ze dreigden de boerderij in de brand te steken. Het was dezelfde patrouille die achter ons aan gestuurd was. Hun hardnekkig en gewaagd optreden in niemandsland onder de neus van de Tommy was verbazend. Gelukkig trokken ze weg zonder hun dreigementen waar te maken.
De volgende dag werd ik tezamen met de lange student,die Engels sprak, ontboden op het Engelse hoofdkwartier. Ik werd ondervraagd door een Engelse officier die me op de kaart de Duitse posities in Bladel aan liet wijzen. Na hem al de informatie the panzerfaust incluis gegeven te hebben, gaf hij me een pakje sigaretten. Dan vroeg hij ons of we naar Bladel terug konden gaan om de omgeving te verkennen.
Tot vandaag op de dag is het me nog een raadsel waarom hij dat wilde.
We gingen met ons tweeën op weg. Toen we de buitenrand van Bladel naderden zagen we veel gesneuvelde Duitsers.
Klaarblijkelijk de Engelsen hadden Bladel genomen en waren doorgetrokken.
Ik zag het lijk van een erg jonge Duitse soldaat langs de weg. Hij had bijna gloednieuwe laarzen aan. Ik liep praktisch op m'n sokken met de grote gaten in de zolen van mijn schoenen. Ik nam zijn geweer, want je kunt nooit weten hoe je het nog nodig hebben kan.
Ik had nog nooit een vuurwapen in handen gehad, dus geen idee hoe het werkte. Veronderstel wat er gebeurt zou zijn als ik het gebruiken moest! Wij gingen daarna naar de Hoeve. Ik kan me niet precies herinneren of het toen was dat ik Hans en Flip moest identificeren. Nadat we de streek 'All Clear' vonden keerden we terug naar het klooster alwaar ik in de achtertuin met een paar van de jongens ging om het geweer te testen. Het duurde niet lang voordat ik het voor- en achtereind vond en waar je de patroon induwde. Ik vuurde een paar patronen om mijn theorie te bevestigen. Een paar dagen later hoorde ik dat er in Eindhoven vrijwilligers gevraagd werden, volgens de informatie; er moest een eenheid opgericht worden die na korte opleiding achter de Duitse linies moesten werken. Gewapend met radio en andere uitrusting om contact te maken en onderhouden met hoofdkwartier.
Ik voelde mezelf helemaal geen held, maar dacht dat het een kans zou zijn om met mijn ouders en verdere familie contact op te nemen, want ik was erg bezorgd over hen. Speciaal na veel verhalen van onheilspellende gebeurtenissen. Toen ik Hennie inlichtte wat ik van plan was wilde hij ook mee. Daar liet ik hem van afzien, zodat tenminste een van ons terug kon komen om het verhaal te vertellen.
Ook de twee koks, toen ze van mijn plan hoorden, wilden meekomen. Maar niet om zich aan te melden echter in Eindhoven was werk voor chefs, speciaal bij de Amerikaanse officieren.
De volgende morgen gingen we met ons drieën op pad. We begonnen te lopen in de hoop een lift naar Eindhoven te krijgen. Helaas niemand stopte en liepen we de hele afstand 36 km.
In Eindhoven aangekomen namen de twee chefs met krokodillen tranen afscheid en wensten mij veel geluk op de zelfmoord missie. Bij het Philips hoofd kwartier aangekomen aangemeld en zo was het dat ik bij de Stootroepen ingelijfd werd.
T.v.d. Driesschen, September 2005, Erina |