Oud-Stoters vertellen




Ted van den Driesschen

Inhoud:

Bill Kamping †.
Bladel.
Een tragisch ongeval.
De laatste dagen van Pompeji 'Batavia', juni 1950
Kerstmis 1944.
Toen de oorlog even stil stond, Oudjaar 1944.
Het muisje dat nog een staartje had.
Hein Verbrugge †.
Australische Story, november 1950.


Bill Kamping †


Ergens ten noorden van de Ardennen, op een donkere winteravond in december 1944, stond Bill Kamping op wacht aan een 'Checkpoint'.
Een jeep met vier 'Amerikanen' kwam aanrijden. Bill hield de 'Amerikanen' aan om hun papieren te controleren. Terwijl hij met hun in gesprek was, had de passagier naast de chauffeur gezeten, heel nonchalant z'n rechtervoet op de rand van de jeep gezet. Plotseling hief hij zijn voet en schopte Bill in zijn borst terwijl de jeep vol gas weg raasde.

Bill behoorde tot het Regiment Limburg, van de Stoottroepen.
Het regiment van 'mannen-van-het-eerste-uur'. Regiment Limburg was ingedeeld bij het Amerikaanse Leger en volkomen uitgerust en verpleegd bij de Amerikanen. De Limburgers werden belast met bewaking van 'Dumps' (ammunitie, benzine, en andere voorraden). Een andere taak was het bewaken van kruispunten en andere strategische punten. Iets wat de Amerikanen goed te pas kwam omdat de Limburger maar al te goed de Duitsers kon onderscheiden.

Regiment Brabant daarentegen, was ingedeeld bij de 21St British Army Group en droegen Engelse uniformen , bewapend met Engelse wapens, Springfield, Lee Enfield, Stenguns and Brenguns. Sommige wapens waren antiek, van vóór de Eerste Wereldoorlog!
Regiment Brabant werd ingedeeld aan het rivieren front Maas en Waal.
Zij waren daar ingegraven, drie maanden zonder onderbreking, in modder, sneeuw en ijs! We vonden uit (te laat), dat Engelsen, Canadezen en Amerikanen negen dagen de stellingen betrokken en dan negen dagen bewegingsvrijheid in een grote stad, bv. Eindhoven of Den Bosch.
Nadat het front aan de Maas en Waal was opgerold, trok Regiment Brabant Duitsland in.

Het voorval met Bill Kamping nam plaats gedurende 'The Battle of the Bulge', toen het gevecht in volle gang was. Regiment Limburg lag meer zuidelijk als Regiment Brabant, dus dichterbij de actie.
Maar zelfs Regiment Brabant werd bij meer activiteiten en verhoogde waakzaamheid betrokken. Dubbele wachtposten en meer uren wachtkloppen en gebrek aan slaap liet zich gelden.
Speciale waarschuwingen voor Duitse patrouilles, Engels sprekend, in Amerikaanse uniformen en jeeps. Onze compagnie was direct betrokken bij de actie op de eerste januari 1945, toen onze stellingen aangevallen werden door een squadron van Messerschmitts. De laatste stuiptrekking van de Luftwaffe.
Verliezen in onze sector:
De Duiters: 2 Messerschmitts
Eigen:         geen

Ergens in een Engels Hospital

Toen Bill zijn ogen opende en een Engel boven hem zag, waande hij zich in de hemel! Dit ontwikkelde zich als een Hollywood-scenario. Bill had serieuze schade aan zijn ruggengraat opgelopen.
Hij was voor een lange periode in het hospitaal, lang genoeg om op de 'Engel', zuster Joan, verliefd te worden. Dat het geen eenzijdig verhaal was bleek al gauw, want ze werden al spoedig een paar en zijn later getrouwd.

Na zijn herstel melde Bill zich weer terug bij de Stoottroepen.

Ik leerde Bill Kamping kennen als een van de onderofficieren, toen ik overgeplaatst werd naar de Ondersteuningscompagnie, waar Bill tot het Brengun Carrier peloton behoorde. Bill was een reus van een vent, breed geschouderd, en een imponerend figuur. Hij maakte een nonchalante indruk met z'n pet, allesbehalve voorschriftwijze, achter op z'n hoofd, in zijn camouflage overall, zijn pistool laag hangend van zijn koppel. Waarschijnlijk liet de invloed van zijn tijd met de Amerikanen zich gelden.


Bill, zonder hoofdeksel, staat aan de linker kant tegen de carrier geleund

Bill was niet wat je noemt onderdanig en zijn opinie van officieren in het algemeen, zijn broer inbegrepen, was niet vleiend.

Gedurende ons verblijf in Semarang, moesten we een actie uitvoeren op het civiele hospitaal, dat onder Indonesisch beheer was.
In een razend tempo werd het hospitaal omsingeld en een afdeling ging het hospitaal binnen. Het onderzoek leverde een buit van alle soort goederen en wapens die niet bepaald onder het Rode Kruis thuishoren!
Terwijl het onderzoek gaande was, naderden een groep Engelse zeelui.
Zij vroegen of ze naar binnen konden gaan om een maat op te zoeken die ze met blindedarmontsteking naar het hospitaal hadden gebracht.
Het was de bemanning van een Engels vrachtschip dat een lading contrabande had afgeleverd. Bill die naast mij stond, stond ze in perfect vloeiend Engels te woord en gaf ze een behoorlijke schrobbering.
De brutaliteit om smokkelwaar aan de Indonesiërs te leveren en dan van ons alle medewerking te verlangen. Dat jullie je maat aan een Indonesisch hospitaal afgeleverd hebben, daar wens ik jullie veel geluk mee.
Van ervaring wisten wij dat de behandeling van patiënten liet veel te wensen over.

Na de demobilisatie keerde Bill terug naar Engeland, waar hij zich met zijn vrouw vestigde en een baan vond als een ongeschoolde arbeider in een metaalfabriek. Hij begon te studeren op avondschool, dat gaf hem de mogelijkheid langzaam de ladder op te klimmen.
Hij uiteindelijk belande op de bovenste rang van de ladder en vestigde zich als de 'Lord of the Manor' in een groot herenhuis in Derbyshire.
Het leven ging niet helemaal van een leiendakje, toen Joan zijn vrouw stierf aan kanker. Uiteindelijk heeft hij de nicht van Joan, Barbara, getrouwd.
Zoals hij zei; "you might as well keep it in the family"
Een paar jaar geleden, Barbara kreeg motorneuronziekte en stierf ongeveer dezelfde tijd als mijn vrouw, in 2007.
Ik heb nooit het geluk gehad om Bill nog eens te ontmoeten, op reünies hebben we elkaar misgelopen en op mijn voorgenomen trip naar Holland in juli jl. had ik gehoopt om een ontmoeting met hem te kunnen arrangeren, totdat ik het bericht van zijn overlijden, in januari 2009, ontving.

Davis town,
NSW Australia
Ted v.d. Driesschen


Bladel.


In Bladel aangekomen, na een reis van Utrecht zonder enig voorval, liepen we langs een landpad naar de boerderij van Herman Tenbult.
Daar aangekomen werden we door de familie en 14 jonge mannen verwelkomd.
Onze gids werd speciaal welkom geheten klaarblijkelijk was hij hier al eens eerder geweest.
Met trots werden wij naar ons kwartier genomen, dat midden in de wei lag onder een ouwe koestal.
Men ging de koestal binnen, in het midden van de vloer lag een vermomd luik dat toegang gaf tot een onderaardse schuilplaats. Het was een meester bouwstuk. De ruimte was onderstut door een houten geraamte en de vloer was bedekt met een dikke laag stro. De ventilatie was door middel van kokers die door struiken gecamoufleerd waren. Het was geriefelijk en kon de twintig van ons best herbergen.
Onze leider was een typische padvindersvoortrekker. Als ik ooit aan iemand een hekel heb gehad dan is het aan fanatieke religieuze leken. En deze man was er een. In het katholieke Brabant moest er op zondag altijd een priester zijn om de mis op te dragen, maar als de plaatselijke pastoor niet komen kon, nam Tom de scoutmaster het op zich om voor ons de mis op te dragen. En of je het nu wou of niet, Katholiek of niet, je was verplicht om het bij te wonen. Wat volgens mij een beetje wel te ver ging, maar je kon er niet onderuit.
Tom onze commandant had twee luitenanten, beiden knappe jongens een blond, Hans die was 21, de ander zwart, Flip was 20. De drie overnachtten op de boerderij. Het was pas later dat we uitvonden dat ze alle drie in hetzelfde bed sliepen. Flip stond bij de Gestapo op de lijst als een van hun favorieten.
Elke nacht moesten zij de geheime ingang achter ons sluiten.
Wij werden door de bevolking van Bladel financieel gesteund. De locale ondergrondse waren de administrateurs. Ik geloof dat Peerke Daniels, de garage eigenaar, de bestuursman was.
Om aan ons onderhoud bei te dragen moesten wij aardappels rooien bij de boeren. We deden dat in ploegjes van twee tot drie man.
Alhoewel er altijd een zeker risico was konden we altijd op een tijdige waarschuwing rekenen, want de Duitser konden altijd op grote afstand waargenomen worden. Dat doet mij herinneren aan de tijd toen we, op weg naar Bladel, van de trijn op de bus stapten en zagen een Hollander in Nazi uniform in de bus! Ik dacht, dat wij met acht man en een leider er zeer zeker verdacht moesten voorkomen. Toen ik hierover met de leider sprak, stelde hij mij gerust. De Nazi was gewaarschuwd, mond houden, of je ziet je boerderij in vlammen op gaan!
Herman Tenbult en zijn vrouw hadden 12 kinderen. Ze waren aardige, bescheiden en een voudige mensen. Het echtpaar Tenbult heeft volgens mijn weten maar weinig erkenning gehad. Speciaal bij mij. Men kan het weiten aan jeugd, weinig levens ervaring, onbedachtzaamheid. In mijn eerste uitgave van dit artiekel gaf ik een zeer negatieve beschrijving van de familie! Jongsleden kreeg ik een total onverwachte 'feedback' van een kleindochter van Herman Tenbult, die in Canada geboren is. Met beschaamde kaken realiseerde ik hoe peinlijk het voor de famielie was. Zei deelde me o.a. mede dat haar vader het artiekel al enige jaren geleden gelezen had. Het drong met een schok door hoe ondankbaar, schandelijk en onbedachtzaam ik was. Het onrecht moet zeer peinlijk voor de familie zijn. Ik zal nooit meer mijn excuus kunnen aanbieden aan Herman en zijn vrouw. Aan de rest van de familie vraag ik om vergeving! Als ik maar even doorgedacht had hoe uitzonderlijk deze familie was. Zonder acht op hun eigen veiligheid en toekomst gaven ze onderdak aan drie en twintig volkomen vreemde mensen, zodat in totaal zeven en dertig mensen hier hun plaats vonden. Twintig vonden onderdak in de ondergrondse schuilplaats die Herman gebouwd had. Het risico, zelfs het vinden van de schuilplaats alleen was zeer groot. De mogelijkheid van ontdekking en execution was zeer rêeel. Het was een heel gevaarlijke toestand. Tweemaal werd ik van de Duitse troepen gered. De eerste keer toen een van de zoontjes me waarschuwde en ervan weerhield naar de wapenschuilplaats te gaan die ondertussen in Duitse handen gevallen was. De twede maal door een waarschuwing konden we, onder de neuzen van een Duitse gevechts patroille, op het uiterste nippertje ontsnappen. De laatste uren die we, vóór onze vrijheid, op de boerderij van een andere boer op daglicht gewacht hebben en nadat we nauwelijks wegwaren, werdt de boerderij omsingeld door dezelfde patrouille. De familie werd tegen de muur gezet en bedreigt. "Waar zijn die partisanen?" De boer hield voet bij stuk. Gelukkig voerden ze de dreigementen niet uit. Maar hetzelfde had de Tenbults kunnen overkomen en wie weet de dreigementen wel uitgevoerd. De Duitsers waren in veel gevallen als gewonde wilde dieren toen ze wisten dat de oorlog voor hun verloren was. Ik kan niet nalaten te denken, als een Australische burger van 58 jaren, als die geschiedenis zich in Australië afgespeeld had dan zouden de Tenbults als bewijs van erkenning een medaille gekregen hebben.

Terug op de boerderij:

Lunch werd verstrekt door de boer waar je op die dag werkte. De meeste boeren hadden een mengsel van groenten, tarwe, zuivel producten, vee, een paar varkens en kippen. Dus het meeste wat je te eten kreeg was van de boerderij. Het kon niet verser zijn.
Het avondeten was goed. Twee van onze jongens waren beroeps koks
Een was een chef in een groot hotel in Amsterdam. Zij wisten van de bescheiden beschikbare middelen heerlijke maaltijden te koken.
Wat de hygiëne betrof was het nogal primitief, achter ons kamp liep een beek waarin we ons konden wassen. Behalve ons dagelijks brood hadden we natuurlijk andere dingen nodig, wat we zelf moesten betalen, zoals b.v. toilet artikelen en rookwaren. We waren dicht aan de Belgische grens en zaten regelrecht in het pad van de smokkelaars die de Belgische shag meebrachten, dat was trouwens het enige rokertje dat te krijgen was. Het was een donker gekleurde tabak, heel fijn gesneden in lange draden. Niet alleen zag het er naar zeegras uit maar smaakte ook zo. Maar het was als je maar ergens van puffen kon.
Terwijl we het toch over smokkelaars hebben op een nacht een paar smokkelaars besloten om even uit te blazen en bij de pakken neer te gaan zitten. Het toeval wilde dat ze vlak naast de uitlaat koker van de ventilatie, gecamoufleerd door een struik, zaten. We hoorden hoe ze hun lading neerplonsden en konden hun gesprek beluisteren. Op een gegeven moment een van onze jongens, die hooikoorts had, begon te niesen. Nog nooit hoorden we iemand zo snel uit de voeten gaan. Op een andere nacht kregen we visite van een Duitse patrouille die besloten op dezelfde plaats even uit te blazen. We wisten dat het Duitsers waren want we konden hun horen praten. Deze keer konden we het risico niet nemen en moesten de jongen met hooikoorts praktisch smoren om onze positie niet te verraden.
's Zondags onze vrije dag, behalve de mis van onze zure bleke Leider Tom bijwonen, hadden we na de zondagse maaltijd de vrijheid om buiten twee aan twee in de omgeving te wandelen. Volgens onze informatie waren er geen Duitsers in de buurt. Ondertussen rolde de oorlog meer en meer onze kant op.
De Geallieerden waren doorgestoten in België en hadden Antwerpen en Brussel genomen.
We begonnen meer hoop te krijgen, want na de eerste doorstoot in Normandië de actie was niet zo vlot meer sinds de Duitsers ondanks alles hardnekkig weerstand boden. Een ding was zeker, wij zouden actief deel gaan nemen zodra de actie ons bereikte.
Tom vertelde ons een paar of de acties die van ons verwacht werden, zoals de bewaking van de brug om te verhinderen dat de Duitsers het op zouden blazen. Hij maakte de indruk dat hij op order van boven handelde. Wij werden van oranje armbanden voorzien om aan te tonen dat we nu partizanen waren. Op onze vraag of we de orders met stokken en stenen moesten uitvoeren, verzekerde hij ons dat wapens op weg waren. Uiteindelijk konden we de artillerie steeds nader horen als het front bij de dag dichterbij kwam.
In afwachting van de dingen die komen zou bereiden we ons voor op eventuele situaties. Een maatregel was om een schuilplaats te maken voor wapens en ammunitie. Er werd een kuil gegraven met een deksel gecamoufleerd. Deze kuil was vlak bij de beek. We werden steeds meer opgewonden in afwachting van de dingen die komen zouden. Het front kwam steeds dichterbij iets wat waar te nemen was doordat meer en meer Duitsers vluchten door de bossen van zuidelijke richting. Het was een mengelmoesje van alle soort takken van dienst 'Luftwaffe" Wehrmacht, enz. Dit was de eerste keer dat ik wanorder onder de Duitsers zag niet alleen dat maar ook plunderingen. Van allerlei voertuigen van paard en wagen, handkarren, fietsen tot zelfs kinderwagens, opgeladen met gestolen goederen. Hoe meer we van deze taferelen zagen hoe opgewondener we werden, Dit was echter heel gevaarlijk want het maakte ons te zorgeloos omdat we de situatie onderschatten.

--O--O--O--

Toen kwam de zondag de 17e Sept. 1944. We hadden juist de Zondagse lunch achter de rug en gingen ons gewoonlijke wandelingetje maken, toen opeens zich een beeld vertoonde nog nooit tevoren gezien.
Honderden van vliegtuigen kwamen laag over de bossen aangevlogen, de ene golf na de andere.
De meesten waren Dakota's transport vliegtuigen, velen trokken gliders met zich mee.
De Duitsers moeten net als ons stomverbaasd geweest zijn, want voor een paar, wat scheen minutenlang gebeurde niets, maar dan it was 'hell and thunder' toen de Duitsers met allerlei soort wapens begonnen te schieten. Het was alsof ze in een schiettent zaten ze konden het ene vliegtuig na het andere afpikken, maar de rest vloog steeds gestadig door. Al spoedig stortten ettelijke vliegtuigen neer, terwijl we dat stomverbaasd stonden aan te zien vlogen ons de kogels om de oren. Het rare was je trok je er niets van aan alsof je er niet bewust van was. Dakota's in brand lieten hun gliders los die dan een goed heenkomen zochten.
Parachutisten hingen in de lucht maaiden met hun Tommyguns wild naar beneden als in machteloze woede, totdat ze plotseling stil bleven hangen. Ik zag een vliegtuig waarvan de romp middenonder door een granaat geraakt werd, met als resultaat dat het vliegtuig in tweeën brak. De parachutisten rolden eruit als lollies uit een tube die met twee handen gevat wordt om de beide enden bij elkaar te vouwen.
Ondanks de vele verliezen de rest bleef en-masse doorvliegen met hun doeleinden, Eindhoven, Nijmegen en Arnhem. Plotseling zag ik mijn broer Hennie en twee anderen in de richting van een bos rennen volkomen negerend het machinegeweer vuur dat van alle kanten kwam. Het was waarschijnlijk het schuldgevoel dat, toen we als kleine jongens bij de Schiekade aan het spelen waren, ik als oudste broer verantwoordelijk was, hem achtergelaten had, toen hij weigerde mee te komen. Toen ik thuis kwam stond de ambulance voor de deur die net mijn bijna verdronken broer afgeleverd had. Het was dat schuldgevoel dat me ertoe dreef achter hem aan rennen, schreeuwend dat hij terug moest komen of dekking zoeken! Dan plotseling zag ik waar zij heen liepen. Een Amerikaanse glider had een noodlanding gemaakt net achter het bosje zodra het vliegtuig landde raakte de vleugel een boom zodat het toestel rondzwaaide. Toen we het toestel benaderden ging de neuskoepel omhoog en de laaddeur of klep ging omlaag en een jeep verscheen. Een soldaat sprong op de grond en nam met een machinegeweer stelling terwijl de chauffeur met bloedige mond naar beneden reed. Ogenschijnlijk was bij de landing zijn gezicht tegen het stuur geslagen.
Een reus van een vent klaarblijkelijk een officier, met kaart in de hand, vroeg ons de kortste weg naar België. Hij wilde terug naar zijn basis. We vertelden hem (een van ons, een student, sprak Engels) dat het onmogelijk was, de bossen wemelde van Duitsers. Wij stelden voor dat ze het triplex toestel in brand staken, hun wapens meenemen en dat wij hun konden verbergen. Helaas de officier had hier geen oren naar en bleef naar de ´mainroad' naar België vragen, als een toerist die naar de weg vroeg.
Op dat ogenblik daagde een van de bevolking op die ons zich als een van de plaatselijke ondergrondse voorstelde. Hij bood aan de Amerikanen door te loodsen. De Amerikanen namen het aanbod gretig aan. Hij ging op de motorkap zitten en zo reden ze weg. Toen ze aan de Noordelijke rand van het bos aankwamen liet hij stoppen sprong van de jeep en wees in de richting die ze gaan moesten. De Amerikanen reden argeloos in een Duitse val en werden allen met een kopschot afgemaakt en werden dan met het hoofd naar beneden in fox/holes gegooid.
Operatie Market Garden was maar een gedeeltelijk succes. Van de drie doelpunten Eindhoven was veroverd bij de Amerikanen. Maar niet voordat de brug bij Son opgeblazen was door de Duitsers. Nijmegen viel aan de Amerikanen 2 dagen later. Ondertussen vochten de Engelse en Poolse parachutisten een hevige en heldhaftige strijd bij Arnhem die totaal hopeloos was, voor de nu welbekende redenen. De geallieerden stonden tegenover een grote overmacht in Arnhem, die in sterkte en bewapening een hevig overwicht had.
De 30ste British Army, die in 2dagen hun bereiken moest, bleef steken.
De Britse Intelligence had schromelijk de sterkte van de Panzertruppen onderschat, ondanks de waarschuwing van de Nederlandse Ondergrondse. Het gaat buiten mijn verhaal hier verder op in te gaan en er zijn betere bronnen te vinden in boeken en documenten.
Mijn persoonlijk idee is dat men had zich teveel op de wanorde en het gebroken moreel van de Duitsers verlaten had in deze laatste dagen. Het snel optrekken van de Geallieerden veroorzaakte een hoop paniek, desertie en battle-fatigue bij de Duitsers. Velen wilden maar liefst capituleren. Maar ondanks dat waren er nog veel ervaren en fanatieke officieren en onderofficieren, die de restanten van allerlei wapens en onderdelen bij elkaar dreven en in een gevechtsformatie vormden om stand te houden. Dit gebeurde herhaaldelijk zowel in het Zuiden als bij Arnhem.
Ondertussen waren de Engelsen langzaam aan van België de Brabantse grens genaderd.
De Amerikanen hadden Limburg Zuid bevrijd.
Het zag er allemaal goed uit en wij waren in een vreugde roes. Het eind was nabij het zou allemaal spoedig over zijn. De Canadezen waren druk bezig om Zeeland te nemen waar nog verbitterd gevochten werd. De vijand had het land onder water gezet en er was geen spoor van paniek bij de Duitsers.
Wij overwogen wat onze taak zijn zou? Volgens onze leider moesten we de brug, die ons met het dorp verbond, bewaken. Wat onze bewapening betrof om die taak uit te voeren; 'ze zijn op komst!'
Twee dagen later twee Britse Bren-carriers naderden voorzichtig de brug. - Wij waren ons er totaal niet van bewust dat de Duitsers zich al rondom ingegraven hadden!- Had de plaatselijke ondergrondse ons daarvoor kunnen waarschuwen?? Een post had zich al dicht bij de brug, aan de overkant, ingegraven. Zodra de twee carriers verschenen vuurde de post een Panzerfaust en schakelde de eerste carrier uit en de crew werd gewond.
De bemanning van de tweede carrier sleepten de gewonden naar de tweede carrier en maakten een haastige terugtocht. Totaal onbewust van de aanwezigheid van de twee Duitsers in de post wij kropen over en in de carrier en vonden een hoop ammunitie hand granaten, fosforgranaten, bandelieren met patronen, kistjes vol. Ook was er een reserve loop voor de Bren in een foedraal. Wat het toen was wisten we niet maar we namen het toch maar mee. Echter wat we zochten was er niet, -WAPENS!- We waren met z'n zevenen, mijn broer Hennie en de 12 jarige zoon van Herman Tenbult. inbegrepen.
Na het sorteren en opstapelen van de spullen die we hebben wilden vijf, Hennie inbegrepen, namen wat ze maar dragen konden terwijl ik met het boerenzoontje achterbleef totdat de anderen terug zouden komen om de rest op te pikken. Het idee was om de spullen in de geheime schuilplaats te bergen die we juist voor dat doeleinde gemaakt hadden. Na nogal lang wachten en geen spoor van de jongens om de rest op te pikken, besloot ik om met de jongen te dragen wat we konden en ons naar de schuilplaats te begeven. We droegen drie kistjes één elk in de ene hand de derde tussen ons. Terwijl we langs het pad liepen hoorden we plotseling het knetterend vuren van machine pistolen vlakbij. We gingen onmiddellijk van het pad af, in het bos tussen de struiken lopen.
Plotseling daagde een andere zoon van de boer op die ons waarschuwde onder geen voorwaarde naar de kuil maar regelrecht terug naar de boerderij. We lieten de ammunitie achter. Bij de boerderij aangekomen, hoorden wij het verhaal. Hans en Flip (twee van de zeven die bij de carrier waren) waren door de Duitsers gevangen genomen. Hennie en de twee anderen hadden zich het vege lijf gered.
Toen de vijf bij de kuil aangeland waren, begonnen ze de ammunitie in de kuil te laden. Hennie en de twee anderen stonden in de kuil, terwijl Hans en Flip boven stonden en de munitie aan reikten. Plotseling Hans zag een soldaat in een camouflage blouse en een machine pistool onder zijn arm vlak by staan.
Hier is een Tommy zei hij en haalde zijn partizanen armband uit zijn zak. Hij liep naar de soldaat en onmiddellijk stak zijn handen op.
Flip, de enige van ons die een wapen had, 9mm pistool, trok zijn wapen en liep achter Hans met de bedoeling hem bij te staan, maar ook hij stak zijn handen hoog. Hennie had de tegenwoordigheid van geest om de situatie op te sommen en riep: 'Weg van hier'. Het was een kwestie van leven of dood.
Als gekken kropen ze de kuil uit en doken onder een hagel van kogels in het koren. Dat was het pistolen geknetter dat ik gehoord had. Ze moeten hierbij een wereld record gehaald hebben in snel kruipen. Het was een wonder dat ze er heelhuids van af kwamen.
Terug op de boerderij we verzamelden in de grote schuur waar een hooiberg, die hol in het midden was, stond. Wij verdwenen in de holte van de hooiberg terwijl een man buiten op wacht stond. Onze glorieuze Leider Tom, stond er nog steeds op dat we de brug moesten bewaken. Wij vroegen opnieuw, wat gaan we voor wapens gebruiken? Stokken en stenen?
Toen opperde ik een briljant idee! Zou het niet wijzer zijn om eerst iemand op verkenning te sturen?
Ik had m'n grote mond moeten houden want wie werd voor de job uitverkoren, geen prijs voor raden!
Er werd een fiets geleend en ik ging op weg. Langs het pad naar het dorp, over de brug en een plotseling; "Halt, wo geht's denn hin?" Verstijfd van angst reageerde ik met een antwoord in het Hollands. "Ik moet naar het dorp om batterijen te halen, we hebben geen elektriciteit." Ik moest het een paar maal herhalen om dan de klank meer naar het Duitse te buigen door batterijen te zeggen. Dat verstonden zij. Het was zoals, naar ik dacht, een boerenjongen zou reageren. De post was zo goed gecamoufleerd dat ik ze niet zag totdat ze me aanriepen. De twee Duitse soldaten in de put hadden een panzerfaust! Dat verklaarde de schade aan de brencarrier! - "Du wahrst am Panzer heute!" - Iets wat ik natuurlijk hevig ontkende. Ondanks dat, bleven ze het volhouden maar ik bleef ontkennen. - Wo sind die Tommies? - Met een zwaai van de arm, "Oh die zijn nog ver weg" (Alsof ik het wist?)
Ze lieten me doorgaan, maar zo snel mogelijk naar het dorp en terug, want er wordt hier gevochten.
M'n reis werd voortgezet en al fietsende overwoog ik hoe ik de dood ontsprongen was. Als ze mij gefouilleerd hadden dan was de oranje armband uit m'n binnenzak te voorschijn gekomen. Al peinzend werd ik ineens opnieuw aangeroepen door een tweede post verderop de weg. Opnieuw, de put was zo goed gecamoufleerd dat ik het niet gezien had. Deze keer had ik, zonder erbij te denken, in het Duits gereageerd.
Opnieuw kwam het verhaaltje van de batterijen deze keer in het Duits. -Du sprichst gut Deutsch, woher hast du dass gelernt? - "Mein Großmutter wahr Deutsch". Inderdaad mijn grootmoeder van moeders zijde was Duits, maar ik heb haar nooit gekend laat staan Duits van haar geleerd te hebben. In mijn 14 maanden in Berlijn had ik zelfs een Berlijns accent gekregen. Opnieuw kreeg ik toestemming door te gaan -,maar zo spoedig mogelijk terug!-
Als ik aan een boerderij voorbij fietste werd ik ten derde male aangeroepen door een Feldwebel die zich in de voortuin aan het scheren was, hij had een spiegel aan een boom gehaakt. - "Jij mag hier helemaal niet komen hier wordt geschoten, het wordt gevaarlijk, vertel de mensen niet hier te komen, waarom ben je hier?" - Opnieuw werd het verhaaltje van de batterijen aangesleept. "Vooruit vlug naar het dorp en terug!" Nu had ik het niet meer. Ik fietste een stuk door totdat ik buiten gezicht was en ging aan de kant van de weg en verschool me in de struiken. Ik besloot om te wachten totdat genoeg tijd verstreken was, nodig om naar het dorp en terug te gaan. Terwijl ik daar zat kon ik langs de weg een verpleegster in uniform, op de fiets, aan zien komen. Toen ze genaderd was vroeg ik haar wat de toestand in het dorp was. Zij antwoordde dat het geen plaats voor jonge mannen was, noch burger noch Duitser in uniform. De gehate Grüne Polizei was gearriveerd en pikte iedereen op. De soldaten, wie dan ook, werden direct naar het front gestuurd, weigeraars of deserteurs werden of opgehangen of op staat doodgeschoten!
Na een verloop van tijd, naar mijn schatting lang genoeg om naar het dorp geweest te zijn, fietste ik terug.
De tweede post hield me weer aan, maar deze keer was het meer om een beetje conversatie.
Als ik de laatste post voorbij kwam, fietste ik door en zei dat ik geen batterijen krijgen kon.

--O--O--O--

Ik wil nu het verhaal van Hans en Flip vertellen. Ik vond dit uit op onze laatste trip naar Holland, in 1997. Het was een fantastisch verhaal, geschreven in een boek van iemand van Bladel met de naam van Fons Rooimans. Als ik me goed herinner was de titel 'Bladel in de oorlog', waarin van ons als de onderduikers, het verhaal en foto's ook stond. Het boek was goed geschreven, volledig met de feiten, nummers en foto's. Wat natuurlijk veel vorsen / research vereist had. Helaas waren mijn pogingen om een kopie te krijgen zonder resultaat. Fons Rooimans had nog maar een reserve kopie, die al voor iemand bestemd was. Het was natuurlijk een grote verassing zoiets te vinden, maar jammer genoeg veels te laat.
Het boek werd niet meer gedrukt. Tijdens mijn kort bezoek aan de schrijver las ik het verhaal van Hans en Flip en moet ik daarom me helemaal op mijn herinnering toe verlaten.
Frans Rooimans was in de Bladelse Ondergrondse, die zich het als taak gesteld het allemaal in een boek vast te leggen. Het was een verbazend werk van onderzoek van archieven aan beide kanten. Het opsporen en vinden van overlevende getuigen, was een mirakel. Na door de staat van dienst van duizenden Duitsers in het archief doorzocht te hebben vond hij een getuige die nog levend was.
Zo hier volgt dan het verhaal van de twee jongens. Zij waren gevangen genomen bij een patrouille van Duitse parachutisten (vandaar de camouflage jacket, wat veel op een Engels commando jacket lijkt).
De jongens waren gekleed in blauwe overall wat veelal door illegale of ondergrondse werkers gedragen werd. Zij waren op heterdaad betrapt en werden afgemarcheerd met hun handen hoog.
Twee jonge boeren ook in blauwe overall gekleed waren nieuwsgierig en kwamen op het lawaai af om een kijkje te nemen. Zodra de Duitsers hun zagen werden ook zij gevangen genomen en moesten met hun handen omhoog meelopen. Toen ze de boerderij van de jonge mannen voorbij kwamen, liepen twee kleine kinderen naar buiten met hun handen omhoog en vroegen papa kunnen wij ook meedoen.
Een van de Duitsers verstond Nederlands en zag in dat de twee boeren geen partizaan waren. Dit redde hun van een zekere executie. De Duitsers dan vroegen om een zaag en touw. Zo marcheerden ze door het bos totdat ze halt hielden en de jongens moesten tegen een boom staan met de handen hoog. Er werd een vuurtje gestookt, waarvoor de zaag gecommandeerd was om hout te zagen, om hun maaltijd op te warmen.
Nadat de parachutisten gegeten hadden, begonnen ze met de ondervraging. Het is me niet duidelijk of het touw gebruikt werd om de jongens te binden.
(Het verhaal van de Duitse getuige was hoogst waarschijnlijk een gezuiverde uitgave om het zo gunstig mogelijk weer te geven.) Volgens hem was hij een ordonnans op zoek naar zijn onderdeel toen hij bij deze scène belandde. Hij had een meest merkwaardig geheugen voor detail, hij kon plaatsnamen, afstanden en tijden nog precies herinneren. Natuurlijk was zijn verhaal van dien aard dat het hem in een volkomen neutrale positie stelde. Niet in staat zijnde om het boek te raadplegen moet ik me op mijn geheugen verlaten. Maar toen de ondervraging begon was er een officier aanwezig. Het kan zijn dat de soldaten hun maaltijd hadden terwijl ze op de officier wachtten. Na de ondervraging werden beide jongens met een schot in de nek afgemaakt. Een van hun toonde nog teken van leven en werd nog een paar maal geschoten.
Daarna werden ze beiden ieder in een eenmansput, met het hoof omlaag, gegooid. Zo werden ze gevonden nadat het terrein van Duitsers gezuiverd was. Ik geloof dat ze bei de schrijver van het boek gevonden werden. De lijken werden met paard en wagen naar de "Hoeve", ons onderkomen voor de laatste twee en half maanden, gebracht. Ik werd verzocht om de jongens te identificeren. Ik kon ze alleen maar herkennen bij hun kleding en het verschil in lichaamsbouw. Doordat ze ondersteboven in de putten gestort waren, kon men de gezichten, die paars waren, niet meer herkennen. De hoofden waren op een groteske manier gezwollen. Dat het verhoor niet pure woordelijk was kon geconcludeerd worden doordat Flip (de brutaalste van de twee) zijn mond totaal verbrijzeld was. Dit feit werd niet door de getuige vermeld!

--O--O--O--

Om mijn verhaal van de verkenning weer op te vatten. Terug op de boerderij bracht ik rapport uit dat het hopeloos zijn zou om ongewapend een brug te verdedigen die al in Duitse handen was. Een feit bleek, dat wij totaal niets wisten van de aanwezigheid Duitse troepen in onze onmiddellijke omgeving. We konden niet terug naar onze schuilplaats want het was heel waarschijnlijk dat het in het gezichtsveld van de Duitsers was gekomen. In de hooiberg de stemming was erg bedrukt, we hadden twee van onze kameraden verloren en de realisatie van de hachelijke situatie waarin we ons bevonden.
Het begon te schemeren en ik ging uit de hooiberg om even met de wachtpost te praten, buiten gekomen zag ik de familie van Herman Tenbult aan de overkant van het pad voor het huis waar de overburen woonden, die waren dus, zoals ze het noemden, even aan het buurten. Toen ik verder langs het pad keek zag ik een colonne in ganzenrij naderen, het was te donker om te zien wat voor mensen het waren. Allerlei gedachten gingen door me heen, wie waren het waren het, boeren die met schoppen over de schouder van het veld terugkwamen? Maar normaal boeren werken niet tot donker en als het boeren waren wie waren het? Als het Duitsers waren dan moesten de boeren ons toch waarschuwen! Terwijl die gedachten door mijn hoofd gingen kwam plotseling een van de boeren jongens als het ware uit het niets te voorschijn, - "Vlug, vlug de Duitsers. Een gevechtspatrouille van peloton sterkte was uitgestuurd om ons te krijgen. Gelukkige was de deur van de schuur buiten het gezichtsveld van de naderende patrouille, zodoende was het mogelijk ongezien weg te komen. door in een bijna droge beek. te springen en renden we gebukt weg.
Achteraf beschouwd we hadden het wel op onze vingers na kunnen tellen.
Op de eerste plaats de Duitsers moeten onze activiteiten met de Amerikanen waar genomen hebben.
Net zoals ze ons gade sloegen toen we de carrier bij de brug leeghaalden, wij waren er ons volkomen onbewust van hoe dichtbij ze waren. Men kan ze alleen maar bewonderen om de vuurdiscipline die ze hadden. Hier zaten wij in het volle zicht terwijl ze met belangstelling ons gade sloegen en geen schot losten.
-Het tafereel van de Duitsers in volle vlucht in volkomen wanorde en paniek, had ons in slaap gesust, wij dachten dat het einde nabij was. De snelheid waarmee de geallieerden vorderden en de belofte dat we wapens zouden krijgen. Maar herhaaldelijk ervaren front- officieren en onderofficieren vingen de vluchtende soldaten op en vormden het mengelmoesje weer in eenheden om door te vechten, het gebeurde in Arnhem en later in de Ardennen en andere plaatsen. Ondertussen waren wij op de vlucht, het was nu donker en we waren uit de beek en liepen door de weilanden de een na de ander, over prikkeldraad, over sloten en andere hindernissen. Terwijl we diagonaal over een wei liepen, gingen we plotseling allemaal plat tegen de grond. Tot vandaag aan de dag weet ik nog steeds niet hoe dat gebeurde, want er was geen bevel of signaal om dat te doen! Ik lichte mijn linkerarm een beetje zodat ik eronderdoor kijken kon zonder het wit van mijn gezicht te verraden. Aan onze linkerkant verder op zag ik de lichtstraal van een lantaarn over de wei zwaaien. Een paar seconden later het licht verdween. Het bleek dat de patrouille de wei overstak ook in diagonale richting maar aan de tegenovergestelde zijde, ook waren ze seconden eerder het kruispunt voorbij waar wij overstaken. Men kan zich voorstellen wat er gebeurt zijn zou als we elkaar getroffen hadden. In de volgende wei werd halt gehouden waar we een beetje tot rust kwamen en stuurden twee scouts vooruit naar een boerderij die verderop lag, om de boer te vragen of we daar onderdak konden krijgen voor de rest van de nacht.
De scouts kwamen terug met de boodschap we werden verwacht.
Bij de boerderij aangekomen zaten we op de vloer langs de muren in een kring in de grote keuken.
De familie verzorgde ons met boterhammen en drank. Ondertussen iemand werd uitgezonden naar de plaatselijke agent van de marechaussee. Die wist precies waar de Duitsers waren en de Engelsen.
Bij dageraad kwam hij en loodste ons door de bossen. We hielden halt aan de rand van een grote weg.
Toen de kust veilig was gingen we paarsgewijze over de weg. Aan de andere kant van de weg liepen we door tot waar hij had aangeduid de Engelse posities waren. Ondanks onze opgetogen vreugde dat wij vrij waren namen de Engelsen het nogal laconiek op. Waarschijnlijk was dat tafereel niets nieuw voor hun.
Het was natuurlijk moeilijk om een conversatie aan te gaan met ons gebrek aan Engels, maar het lukte me toch om het duidelijk te maken dat we niets te roken hadden. Na een paar haaltjes aan een echte Virginia sigaret moest ik duizelig gaan zitten. Dit was geen Belgische shag.

EERSEL: De plaats waar we aanbeland waren was Eersel, bekend voor de sigarenindustrie.

Wij werden ondergebracht in het Nonnen klooster die ook een kostschool voor meisjes huisde.
De nonnen waren fantastisch ze huisden ons op de zolder van de school. Door middel van stro en spierwit beddengoed werden we van bedden voorzien. Katoenen onderhemden en meisjes directoires om ons niet meer zo schoon ondergoed te vervangen.
De maaltijden waren heerlijk appels waren in seizoen dus veel appelmoes, hete bliksem en als je nog appels lustte kon je ze van de bomen plukken. De nonnen hadden een hoop te verdragen met twintig uitgelaten jongens.
De volgende morgen kwam de zoon van de boer die ons de vorige nacht geherbergd had. Hij vertelde ons dat, we waren nog maar nauwelijks weg toen de boerderij door een troep Duitsers omsingeld werd, iedereen moest buiten tegen de muur staan, Zij, onder dreigementen, vroegen waar de partizanen waren en beschuldigden de boer van het verbergen van de partizanen! De boer met een wapen op hem gericht bleef hardnekkig ontkennen. Zelfs toen ze dreigden de boerderij in de brand te steken. Het was dezelfde patrouille die achter ons aan gestuurd was. Hun hardnekkig en gewaagd optreden in niemandsland onder de neus van de Tommy was verbazend. Gelukkig trokken ze weg zonder hun dreigementen waar te maken.
De volgende dag werd ik tezamen met de lange student,die Engels sprak, ontboden op het Engelse hoofdkwartier. Ik werd ondervraagd door een Engelse officier die me op de kaart de Duitse posities in Bladel aan liet wijzen. Na hem al de informatie the panzerfaust incluis gegeven te hebben, gaf hij me een pakje sigaretten. Dan vroeg hij ons of we naar Bladel terug konden gaan om de omgeving te verkennen.
Tot vandaag op de dag is het me nog een raadsel waarom hij dat wilde.
We gingen met ons tweeën op weg. Toen we de buitenrand van Bladel naderden zagen we veel gesneuvelde Duitsers.
Klaarblijkelijk de Engelsen hadden Bladel genomen en waren doorgetrokken.
Ik zag het lijk van een erg jonge Duitse soldaat langs de weg. Hij had bijna gloednieuwe laarzen aan. Ik liep praktisch op m'n sokken met de grote gaten in de zolen van mijn schoenen. Ik nam zijn geweer, want je kunt nooit weten hoe je het nog nodig hebben kan.
Ik had nog nooit een vuurwapen in handen gehad, dus geen idee hoe het werkte. Veronderstel wat er gebeurt zou zijn als ik het gebruiken moest! Wij gingen daarna naar de Hoeve. Ik kan me niet precies herinneren of het toen was dat ik Hans en Flip moest identificeren. Nadat we de streek 'All Clear' vonden keerden we terug naar het klooster alwaar ik in de achtertuin met een paar van de jongens ging om het geweer te testen. Het duurde niet lang voordat ik het voor- en achtereind vond en waar je de patroon induwde. Ik vuurde een paar patronen om mijn theorie te bevestigen. Een paar dagen later hoorde ik dat er in Eindhoven vrijwilligers gevraagd werden, volgens de informatie; er moest een eenheid opgericht worden die na korte opleiding achter de Duitse linies moesten werken. Gewapend met radio en andere uitrusting om contact te maken en onderhouden met hoofdkwartier.
Ik voelde mezelf helemaal geen held, maar dacht dat het een kans zou zijn om met mijn ouders en verdere familie contact op te nemen, want ik was erg bezorgd over hen. Speciaal na veel verhalen van onheilspellende gebeurtenissen. Toen ik Hennie inlichtte wat ik van plan was wilde hij ook mee. Daar liet ik hem van afzien, zodat tenminste een van ons terug kon komen om het verhaal te vertellen.
Ook de twee koks, toen ze van mijn plan hoorden, wilden meekomen. Maar niet om zich aan te melden echter in Eindhoven was werk voor chefs, speciaal bij de Amerikaanse officieren.

De volgende morgen gingen we met ons drieën op pad. We begonnen te lopen in de hoop een lift naar Eindhoven te krijgen. Helaas niemand stopte en liepen we de hele afstand 36 km.
In Eindhoven aangekomen namen de twee chefs met krokodillen tranen afscheid en wensten mij veel geluk op de zelfmoord missie. Bij het Philips hoofd kwartier aangekomen aangemeld en zo was het dat ik bij de Stootroepen ingelijfd werd.

T.v.d. Driesschen, September 2005, Erina


Bladel.


Tragedies in Brabant:
Van het Britse vliegveld Ramsbury stegen de volgepakte Douglas Skytrains, die op enkele tientallen meters achter zich zweefvliegtuigen meetrokken, op. Zij begaven zich naar het formatiepunt waar de andere squadrons zich bij hen zouden voegen om als één grote formatie koers te zetten naar de landings- en droppingzones in Nederland. Als nummer twaalf vloog in de formatie de Skytrain met als vlieger en gezagvoerder Charles Gilmore. Het toestel (serienummer 42-100801) was ingedeeld bij de 437ste TCG (Troop Carrier Group) en vloog bij het 83ste Squadron. Behalve Gilmore bestond de bemanning uit tweede vlieger Thomas Robert, boordwerktuigkundige Guy Difalco en radiotelegrafist William Golden.
De vlucht naar de landingszone verliep zonder noemenswaardige problemen, afgezien van de Flak die zich nadat de toestellen de Nederlandse kustlijn waren gepasseerd geducht weerde. Er werden weliswaar hier en daar in de formatie toestellen getroffen maar de schade was gering. Toen echter eindelijk het doel van de vlucht in zicht kwam werd het toestel van luitenant Gilmore plotseling door de Flak getroffen. Luitenant John Sneed, die in het toestel vlak achter dat van Gilmore vloog, vertelt wat er toen gebeurde:
'Het toestel van Gilmore kreeg een zware treffer van een Flak-granaat in de rechtermotor en de rechterkant van de cockpit. Het vloog nog enkele seconden door, ging toen langzaam stijgen, draaide naar rechts en wierp het zweefvliegtuig af. Dat gebeurde ongeveer zeven a acht minuten voordat wij de landingszone zouden bereiken. Daarna maakte het toestel een kwartdraai, zakte over een vleugel weg en dook recht naar de grond, waarbij ik het uit het oog verloor.'
Het werd een tragedie, want het dodelijk getroffen toestel sloeg met grote snelheid bij Bladel en Netersel tegen de grond zonder dat ook maar één van de inzittenden kans had gezien eruit te komen. De '801' met de fraaie bijnaam 'Piccadilly Filly' was veranderd in een hoopje verwrongen aluminium met daarin de stoffelijke overschotten van de bemanningsleden. Na de berging van het wrak zijn zij in een gemeenschappelijke kuil begraven.
In de naaste omgeving van de '801' was nog een tweede Skytrain omlaag gekomen, de 42-108884, eveneens van de 437ste TCG maar nu van het 86ste Squadron. Ook de gezagvoerder van dit toestel, luitenant-kolonel Ralph Leer, had opdracht om een zweefvliegtuig naar de landingszone te vliegen. De overige bemanningsleden waren: kapitein Philip Uhlenbrock, luitenant Edward Peterson, sergeant Bela Benko en sergeant James Rice. Bela Benko was de enige die het overleefde en hij vertelt:
'Boven vijandelijk gebied werd ons toestel wel tien tot twintigmaal door kanonvuur in de rechtervleugel getroffen. Ongeveer tien minuten later; ik stond toen met mijn rug naar de cockpit gekeerd was er in ons toestel een ontzettende explosie; ik geloof dat wij aan de rechterkant waren getroffen door een Flak-granaat. Ik begaf mij direct naar de cockpit en de radiohut, maar toen ik de deur opendeed zag ik een laaiende vuurzee. Achter mij schreeuwde iemand: "Let's go." James Rice, onze telegrafist, sprong uit zijn stoel en rende naar de deur die de radiohut afsloot van de cockpit. Ik probeerde hem terug te trekken, maar Rice wilde met alle geweld die deur openmaken. Er heerste een ongelofelijke hitte en ik moest mij terugtrekken, maar ik zag nog hoe Rice de cockpit binnenging. Ik zocht nu mijn parachute, gooide hem over mijn schouder en zocht een weg naar de laaddeur waar ik de parachute omgespte.
Op dat moment voelde ik dat het toestel niet meer bestuurbaar was en dat de snelheid opliep. Opnieuw zag ik Rice die nu naar ik geloof luitenant Peterson bij zich had. Beiden waren moeilijk te herkennen, want hun gezicht en kleding waren danig verbrand terwijl enkele delen ervan nog in brand stonden; het was een afschuwelijk gezicht. Ik hielp hen hun parachute omdoen, waarna we een plaats zochten in de staart van het vliegtuig. De romp vulde zich met een dikke vieze rook en vlammen waardoor het zicht haast onmogelijk werd. Toen ik mijn parachuteharnas verder vastmaakte zag ik een lichaam op de vloer liggen met het hoofd naar achteren ongeveer op een halve meter afstand van de laaddeur. Hej haar was totaal van het hoofd afgebrand en ik dacht da1 het captain Uhlenbrock was. Opeens bewoog hij en schreeuwde dat ik moest maken dat ik wegkwam. Ik slaagde erin de deur te bereiken, ging op mijn knieën zitten er liet me met het hoofd omlaag voorover vallen.
Even daarna opende zich mijn parachute. Ik zag ons vliegtuig recht omlaag duiken en in een poel van vuur te pletter slaan. Ik geloof niet dat het luitenant-kolonel Leer is gelukt uit de cockpit te komen; ik moet herhalen dat ik maar drie man heb gezien nadat ons vliegtuig werd getroffen. Mijn parachute was maar gedeeltelijk vastgegespt, maar ik kwam behouden op de grond, zij het dat de klap nogal hard was. Het laatste dat ik kon waarnemen was dat het wrak een grote vuurzee was geworden.' De resten die men nog van de overige bemanningsleden heeft gevonden werden eveneens begraven in de gemeenschappelijke kuil in Bladel.
In de lucht boven Bladel kwam helaas nog een toestel in moeilijkheden, ditmaal van de 436ste T CG, ingedeeld bij het 82ste Squadron, met het serienummer 42-100672. Op de neus stond met grote letters 'Skytrain', met erachter 'Dakota'. De gezagvoerder van dit vliegtuig, dat geen zweefvliegtuig voorttrok maar was geladen met achttien parachutisten van de 101ste Luchtlandingsdivisie, was eerste luitenant Guide R. Brassesco; de overige bemanningsleden waren Joseph Andrews, Barry Tinkcom en Joseph Curreri. Ook dit toestel werd door de Flak geraakt, waarbij zes parachutisten dodelijk werden getroffen: Thomas Seibel, Joseph Findley, Ralph Dominic, Joseph Cervo, Harvey White en Forrest Snelling.
De overige parachutisten en de bemanning slaagden erin het vliegtuig te verlaten en kwamen behouden op de grond. Ze zagen hoe het getroffen stuurloze vliegtuig met de lichamen van de zes gedode parachutisten erin omlaag tuimelde en vlak bij de brandende wrakken van de '801' en de '884' tegen de grond sloeg. De stoffelijke resten van de zes ongelukkige para's werden later tussen de wrakstukken gevonden, waarna vijf van hen, Dominic, Findley, Snelling, White en Seibel, in de gemeenschappelijke kuil werden begraven. Verder vond men twee stoffelijke overschotten die niet konden worden geïdentificeerd. Later werd een van hen aan de hand van een ring herkend als Joseph Cervo. De andere werd nooit geïdentificeerd, maar men kan met grote waarschijnlijkheid aannemen dat dit John Burke was. Hij was de tweede vlieger van de Skytrain met serienummer 43-15302, met als gezagvoerder William Williams. John Burke is boven Bladel uit het aangeschoten toestel gesprongen, maar hij had geen schijn van kans omdat het nog maar op enkele tientallen meters hoogte vloog;
hij is dan ook tegen de grond te pletter geslagen en onherkenbaar verminkt. De '302' is met de drie overige bemanningsleden even ten noorden van Eersel brandend tegen de grond geslagen. Volgens getuigen heeft het wrak ruim vier dagen liggen nagloeien. De drie bemanningsleden staan nog altijd als vermist te boek en aangenomen wordt dat zij destijds ergens als onbekend zijn begraven.
Harvey Tappe was bemanningslid van een zweefvliegtuig dat in de buurt van de omlaag gekomen Skytrains verongelukte. Tappe werd later eveneens in de gemeenschappelijke kuil gelegd om daar samen met de anderen een laatste rustplaats te vinden. Kort na het einde van de Slag om Arnhem werd in het Brabantse dorp Bladel een eenvoudig monument geplaatst ter nagedachtenis aan de zo tragisch omgekomen mannen.

Ingezonden door Jochem van Schuppen

T.v.d. Driesschen,
September 2005, Erina


De laatste dagen van Pompeji 'Batavia'.


Juni 1950

Nadat I-RS gerepatrieerd en gedemobiliseerd was, vonden we een ander Nederland dan wat ons door de voorlichtingsofficieren, die speciaal voor dat doel naar Java overgekomen waren, voorgeschilderd was. "Je wordt in het zadel geholpen, maar je moet zelf rijden!" Echter er waren maar heel weinig zadels om in te rijden. De gelegenheid om studies op te nemen voor zelfverbetering, bleek ook niet waar te zijn.
Dus toen het KNIL adverteerde voor ex-OVW'ers grepen sommige van ons, zoals Wout v. Ierssel, Gerrit Kitzen, Harry v.d. Broek en mij persoontje, en nog vele anderen, de kans om een militaire carrière te maken met beide handen aan. Zodoende tekenende we een drie jaar kortverband
.Ik verbaasde mezelf; - ik die het land vervloekt had, het land waar we veel maten hadden moeten achterlaten, het land waar we door bloed, zweet en tranen kilos verloren hadden. -
Toen wij vanaf de Zuiderkruis langzaam de kust van Java zagen verdwijnen, voelde ik me opeens weemoedig hier is het land van Smaragd, je zult het nooit weerzien. Dat mooie land, de vriendelijke bevolking (wel de meeste).
En dat zag ik mij weer terug in Java waar ik als rij-instructeur bij de school voor militaire bestuurders en rijders SOBM in Tjimahi belandde.
Halverwege het kortverband werden we zonder meer ontslagen toen het KNIL op slag opgeheven werd. Weer eens in de steek gelaten!

De dag van de overgave daagde op met een voor ons onzekere toekomst in het verschiet. Het ergste was natuurlijk voor de Indische mensen, de Ambonezen en Timorezen. De keuze was heel moeilijk, na een leeftijd in de tropen naar het kouwe kleine land? Hoe zou men ons ontvangen? De Ambonezen en Timorezen waren heel fanatieke aanhangers van het Koninklijk Huis. Hun werd volledig Nederlands burgerrecht verleend. Wat waren hun kansen als zij onder Indonesisch bewind zouden blijven? Dus kozen de meesten om naar Holland te gaan. Achteraf beschouwd waren ze misschien nog slechter af door naar Holland te gaan!

In de onzekere periode van de overgang was er iets aan de hand, er zat iets in de lucht.
In ons onderdeel waren een aantal Ambonezen en Timorezen. Velen van hun waren getrouwd en woonden in de barrakken voor gehuwden. Het merendeel van hun hadden commandotraining ondergaan in Hollandia, Nieuw-Guinea, in een school onder leiding van "Turk" Westerling. De soldaten vereerden hem en noemden hem "Bapak Westerling".

Voor mij als een jonge vrijgezel was het een rare gewaarwording toen ik als sergeant v.d. week tijdens appèl het gehuwden kwartier moest inspecteren en tijdens taptoe de klamboes moest oplichten om te zien of man en vrouw beiden in bed waren.

Het gebeurde toen de Indonesiërs hun zelfbestuur kregen en de overgave plaats vond. Tijdens deze overgangsperiode was onze school nog in actief.
Ons kampement werd bewaakt door 8 wachtposten rond het kamp. Een post was bij de wapenkamer geplaatst. Op deze bewuste avond braken 6 soldaten in de wapenkamer en namen Tommyguns en ammunitie mee, om vervolgens over de schutting te klimmen en in het holst van de nacht te verdwijnen.
De wachtpost begon de alarmbel te luiden nadat de laatste man over de schutting verdween!
De volgende morgen bleek wat er aan de hand was. In Tjimahi was een oproep rond gegaan; - "Bapak Westerling" roept! - Overal was hetzelfde gebeurd, een handvol ex-commando's hadden zich wapens eigen gemaakt en deserteerden.
Nadat ze zich op een verzamelpunt getroffen hadden, marcheerden ze met dageraad op Bandoeng aan en veroverden de stad in een paar uren.
Onmiddellijk werd een staat van alarm uitgeroepen en ons onderdeel moest de straten patrouilleren. Ik ging met een kleine patrouille in een jeep op pad, maar in onze omgeving de straten waren rustig en vredig.
Diezelfde avond om zes uur had ik wachtdienst. De KNIL had nog steeds de onmenselijke 24 uren wachtdienst waarbij de wachtcommandant 24 uren moest wakker blijven. Erg moeilijk in de tropen. Ik had nog maar net de wacht overgenomen van de oude wacht toen ik gewaar werd van een oproer buiten en de deserteurs van de vorige avond, triomferend en jubilerend, met hun gezichten achter shawls verborgen, binnenkwamen. Ik liet hun de wapens in de wachtkamer inleveren en sloot ze in de cel op. Waarna ik het voorval aan de officier van de dag meldde.
Uiteindelijk bleek dat kapitein Westerling de operatie op touw had gezet om de wereld te laten zien dat hij kon Java veroveren. Oorspronkelijk wilde hij met al zijn ouwe rekruten en zijn luitenanten Bandoeng, Batavia en Soerabaja nemen. Hij had succes met Bandoeng, maar Batavia en Soerabaja liepen mis door misverstand of gebrek aan verbinding.
Erg compromitterend voor de Nederlandse Regering!
De regering beloofde dat al de schuldigen 'streng' bestraft zouden worden.
Westerling werd in alle haast naar een schuilplaats gezonden en al de troepen zouden naar een 'strafkamp' in Holland verscheept worden.
In aller haast organiseerden wij een konvooi om alle Ambonese en Timorese troepen met hun families naar Tandjong Priok te vervoeren. Het was een heel schouwspel met al die soldaten, vrouwen en kinderen aan boord. Op de top van de Puntiac werd halt gehouden om in een Chinees restaurant te lunchen. In Tandjong Priok aangekomen gingen de troepen regelrecht aan boord van een schip (naam vergeten) bestemming Amsterdam. We stonden op de kade geparkeerd, in afwachting van het bevel om terug te keren naar Tjimah. Aan de andere kant van de kade waren Indonesiërs bezig met het rangeren van onze overhandigde Bren-carriers.
Ze probeerden ze op rij te zetten en het bleek al gauw dat ze er nog geen kaas van gegeten hadden, het was gewoon een komedie voor ons, vooral toen de laatste carrier in de rij met een knal tegen de voorgaande carrier reed en het hele zaakje schoof als een concertina in elkaar.

De overhandiging was begonnen. De school werd gesloten. De Nederlands-Indische gulden werd opgedoekt voor de rupia die niet gelijk stond met de gulden.
Door de bekwaamheid van de Duitse Nazi ex-schatbewaarder, of Minister van Financiën, Dr. Haldemar Schacht. - hij was geëngageerd om het financiële systeem op poten te zetten - werd de rupia zodanig gedevalueerd dat het meeste van je spaarcentjes er aan gingen. Bovendien als KNIL militair werd men van nu af aan in rupia's betaald door de Republiek Indonesië maar de rupia was niet gelijk aan de gulden. Dus je maandsalaris werd in plaats van 300 gulden, 300 rupia. Het vreemde was dat het KNIL was opgeheven en wij waren overgeheveld naar de KL, omdat we dan van de KL ontslagen zouden worden. Dus zouden wij dan niet door de KL betaald moeten worden in guldens en geen rupias?
De KNIL militairen met 10 jaren actieve dienst werden automatisch naar de KL overgeheveld en naar Holland overgeplaatst. Met meer als 5 jaren actieve dienst, wij als kortverbanders werden zonder meer ontslagen! Als vergoeding werd ons 100 gulden, voor elke maand dat je contract nog had moeten lopen, aangeboden.
Later wilden ze daar nog eens 17½ % belasting van heffen. Het was door een hevig protest van de bond van onderofficieren te danken dat daar toch maar van af gezien werd.
Er werd ons nog een mogelijk geboden om in Holland als Kortverbander voor drie jaar te tekenen, zonder garantie dat na drie jaren je als beroeps kon tekenen.
In die periode had men er natuurlijk geen benul van wat naderhand met het leger zou gebeuren onder het NATO verdrag. Ik had er balen van, hoe kon je een regering vertrouwen die zomaar zonder meer een contract verbrak zonder voldoende schadeloosstelling. Ook had ik overwogen, dat stel dat ik na het kortverband als beroeps bij kon tekenen, de kans in een vredestijd leger promotie maar traag wezen zou, gezien het karige vooroorlogse leger. Echter mijn collega's die wel de kans namen ging het allemaal goed met sommigen die tot officier bevorderd werden.
Allemaal op pensioen met 55 jaar.

De SOBM II werd opgedoekt en ik werd naar het doorgangskamp voor vrijgezellen in de Beerenstraat, Batavia overgeplaatst.

BATAVIA:

In het kamp moest je rondhangen totdat op de lijst je naam en schip, waarmee je naar Holland zou reizen, verscheen. Vrijgezellen kwamen het laatste aan de beurt.
Het was een langdradige beweging en men verveelde zich dood om de hele dag in het kamp rond te hangen, met als enigste vertier naar het bord met lijsten om te zien of je naam erop stond. Ik ontmoette een collega, die was getrouwd met een plaatselijk meisje en was in het kamp voor gehuwden. Toen ik hem opzocht op een goede dag werd ik aan zijn schoonzuster voorgesteld. Het was een aantrekkelijk en intelligent meisje en al gauw waren we het eens en begon ik met haar uit te gaan. Niet lang daarna werd ik bij haar thuis uitgenodigd en ontmoette haar ouders. Toen ik door hun werd uitgenodigd om als gast bij hun door te brengen wist ik dat dat een beetje riskant was, maar accepteerde, niet wetend hoe lang ik nog op een schip wachten moest.
Het duurde weken en ik was er als kind aan huis. Ik vermoedde dat de ouders hoopten dat ik net als mijn collega hun dochter trouwen zou. Echter, ik had vanaf het begin aan Trudie verklaard dat het niet meer als vriendschap kon zijn.
Ik wilde geen complicaties met de mogelijkheid van een plotseling vertrek.

Elke paar dagen ging ik naar het kamp om de passagierslijsten te bekijken.
De situatie in Batavia werd steeds benarder. Je had geen maten meer die overal verspreid waren, niemand om je rug te dekken, je mocht geen wapens meer dragen, terwijl de Indonesische soldaten plotseling overal verschenen en zwaar bewapend rond liepen. Zelfs met handgranaten hangend van hun koppels - en zo gingen ze naar de bioscoop!

Op een bewuste avond was er een benard voorval in een bioscoop in de stad.
Een van onze militairen schoot heel zorgeloos een brandend peukje van zijn sigaret, tussen duim en vinger weg. Het belande in de schoot van de Indonesische vrouw van een TNI-officier. Als resultaat was er een dreigende toestand. De onbewapende Nederlandse militairen, zich bedreigd voelend, gingen ijlings naar hun kampement om wapens te bemachtigen. De 'confrontatie' eindigde gelukkig zonder bloedvergieten.
Wel was er een staat van beleg. Toen ik 's avonds naar het kamp terugkeerde zag men overal pantserwagens en wegversperringen.
De toestand in Batavia was hachelijk in die dagen, er ging geen dag voorbij zonder dat er een Hollander vermoord werd. Een dag werd een priester vermoord.
Een burgervriend van mij was op bezoek bij vrienden. Toen hij aanstalten maakte om weg te gaan werd hij op de oprit door een Javaan bedreigd die de sleutels van zijn wagen opeiste. Hij gooide de sleutels voor hem neer en zag machteloos zijn wagen verdwijnen.
Op een andere gelegenheid, toen ik van mijn vriendin terugkeerde naar het kamp, kwam een jongen van een jaar of twaalf me voor de voeten lopen. Elke keer als ik hem wilde passeren ging hij vlug voor me lopen om dan weer langzaam te lopen. Normaler wijze zou je zo'n jong een lel geven, maar iets weerhield me ervan ik vermoedde iets en keek om en ja hoor, drie zwaar bewapende Indonesiërs slenterden achter me. Bij de eerste gelegenheid maakte ik dat ik wegkwam.
Als onbewapend militair was je een mikpunt, terwijl als burger was de mogelijkheid om meer onder de menigte te verdwijnen.
Niet lang daarna liet ik me een 'pakie an deftig' aanmeten, een lichtgrijs tropisch costuum. Kostte me een maandsalaris.

Ik had Wout v. Ierssel uit het oog verloren, hij repatrieerde naar Holland, maar ik vond Jo van Ierssel zijn broer, beiden maten van I-RS. Jo wou net als ik naar Australië emigreren. Aangezien hij bij de KL gebleven was toen wij naar Holland terugkeerden zou voor hem de reis naar Australië door de KL betaald worden.
Als KNIL man moest ik m'n eigen reis betalen. Technisch gesproken, sindsdien de KNIL niet meer bestond en wij bij de KL ingelijfd waren, was dat hoogst onrechtvaardig.
Maar als ik m'n eigen reis naar Australië betalen moest, zou dat niet gaan. Ik had nog niet genoeg om een taxi van Batavia naar Tandjong Priok te betalen. De overeenkomst met Indonesië was dat zij ons betalen moesten. De Indonesiërs wilden ons in rupia's betalen, één rupia voor één gulden! Nu moest ik eerst terug naar Holland reizen om daar m'n uitkering in Nederlandse guldens te ontvangen zodat ik m'n reis naar Australië betalen kon! Zo in plaats van regelrecht in juli naar Australië te vliegen (mijn landing permit had ik al), kostte me die extra reis 5 maanden plus een hoop ellende die me in Holland te wachten stond.
In juli zwaaide ik Jo van Ierssel af in Kemajoran, op zijn weg naar Sydney.
Een paar dagen voordat ik aan boord van de Tabinta zou gaan, hoorde ik van een lotgenoot dat de Indonesiërs zich over het hart gestreken hadden en bereid waren om ons de uitbetaling en de juiste koers te geven. Dit was een grote omkeer, nu kon ik regelrecht van Batavia vliegen. In allerijl naar het bureau van de Militaire Registratie, om mijn papieren op te vragen. "Sorry jouw papieren zijn op weg naar den Haag!"
In Holland aangekomen werd mijn 'Australische' Landing permit volkomen genegeerd en moest ik weer helemaal van voorafaan beginnen. Het leek alsof ze me meer hindernissen in de weg leggen wilden dan je op een hindernisbaan (dat was mijn specialiteit bij I-RS) zou vinden, 2 maal mijn KLM-reis afzeggen incluis. Drie maanden van tergen.

In Batavia, in het kamp, zocht ik tevergeefs naar mijn naam op de lijsten. Zoals gezegd vrijgezellen hadden de laagste prioriteit.
Dan ten lange laatste vond ik mijn naam op de lijst van de 'Tabinta' een kleine trage boot, 14 knots top speed. De reisgezellen gingen diep in het ruim waar 100 kooien in rijen van twee naast elkaar en twee boven elkaar stonden. Op de Alcantara, stierven we wel van de honger maar in stijl naargelang je rang. Naar ik me herinner, voer de Tabinta in juli.

De laatste weken in Batavia verliepen zonder kleurscheren en schokkende gebeurtenissen, behalve twee dingen.
Het eerste voorval was toen ik Soekarno voorbij zag komen. Ik stond op een hoek te wachten om over te steken, toen plotseling met veel kabaal een processie de hoek om kwam, in een grote Amerikaanse open wagen, omringd door motorrijders, zat Soekarno. Hij kwam vlak voor mij langs. Onze instructies voor zo'n geval waren , "in de houding met je gezicht naar de functionaris en saluut!"
'No way', ik kon het niet. Breng hem een saluut! De verrader van z'n eigen volk!
De tweede gebeurtenis niet zozeer een incident maar een complicatie.
Plotseling daar stond ze voor me in het kamp, Thea mijn vriendin van Bandoeng!
Haar zuster en zwager waren naar het doorgangskamp gezonden voor transport naar Holland. Zij was meegekomen in de hoop dat ze me weer eens zien kon. Het was een blij weerzien na de weken scheiding. Alleen was het gecompliceerder om twee vriendinnen te hebben. Om de andere dag ging ik met de een dan de andere uit.
Het ging goed totdat ik een blunder maakte, toen ik met Thea 's avonds een dance-hall binnenging en zei, "Het is niet zo druk als de laatste keer". Thea moest onwillekeurig lachen en zei; "Je hebt iemand anders."
Trudie begon erg aanhankelijk te worden, en verklaarde haar liefde. Ik probeerde haar van het idee af te brengen, verplichtingen en huwelijk was het laatste wat ik wilde gezien mijn onzekere toekomst. Niet wetend wat me in Australië te wachten stond wou ik daar niet aan hoewel ik haar graag mocht. Ondanks dat ik haar tot andere gedachten probeerde te brengen stond ze er toch op om me af te zwaaien, bij het vertrek.
Het was een ware verlichting toen de Tabinta wegvoer van de kade. Het was een gespannen en gevaarlijke toestand in Batavia. Je miste je kameraden voor wederzijdse steun en niet langer mocht je wapens dragen ook al was het voor zelfverdediging. Het was beter om als burger rond te gaan want als ongewapend militair was je een makkelijk doel.

De trip op de Tabinta was ver van comfortabel. Het schip zat vol met militaire families Europees, Indisch, Ambonees en Timorees. De vrijgezellen waren ondergebracht diep onder in de ruimen. Er waren 100 kooien die van ijzeren pijpen scharnierden. Twee bij twee zowel horizontaal als verticaal, de kooien zaten dicht naast elkaar. Ik had het bovenste naast een reus van een roodharige sergeant-majoor. In deze ruimen was geen airconditioning en was het stinkend en snikheet.
De sergeant-majoor sliep heel uitgebreid, zodoend werd ik vaak wakker doordat er een zware arm me op de keel lag. Ik probeerde om omgekeerd te slapen maar dat was nog erger want dan kreeg ik een voet op m'n borst of erger in mijn gezicht.
Om een plaats op het dek te vinden was praktisch onmogelijk want elke familie nam een plaats op het dek voor zich die ze angstvallig 24 uur per dag bewaakten.
Dus als enkeling was er lauw kans.
Op een avond, na weer eens tevergeefs proberen om te slapen, ging ik aan dek om een plek te zoeken. Ineens had ik een idee, boven het dek was een zonnescherm van zeildoek, volgens mij zou dat een ideale hangmat zijn. Het scherm liep iets glooiend af naar de railing. Zo gezegd zo gedaan, ik klom naar boven en heel comfortabel en viel zo in slaap. Vooral ook omdat de deining van het schip me als een baby, (rockabye baby) in slaap wiegde. De Katholieken zouden zeggen, dat ik een uitstekende bewaar engel heb.
Plotseling schrok ik wakker en keek regelrecht de zee in en mijn benen hingen over de rand. Door het langzame rollen van het schip gleed ik geleidelijk overboord. Als een gek krabbelde ik naar boven. Als ik overboord gegaan was had niemand het ooit geweten. Ik ben toen maar terug in dat hete hol gegaan.
De zeelucht schijnt erg op het libido te werken want er was nogal wat gaande en niet altijd tussen man en vrouw. Een paar werd ontdekt onder het dekzeil van een reddingsboot.
Afgezien van de ongeriefelijke accommodatie aan boord, begon ik last van mijn maag te krijgen, iets wat me ook op de Alcantara overkwam. Echter deze keer was anders, niet denkend dat het iets anders was. De scheepsdokter dacht dat het zenuwen waren. Weinig vermoedde ik dat het 't beginstadium van Spruw was. Een ziekte die zonder de juiste behandeling een dodelijke afloop heeft.

In Holland aangekomen had ik geen idee wat me te wachten stond. Na drie maanden rondlopen in Batavia had ik alle benodigde formulieren en voornamelijk de Landing permit. Dus verwachtte ik dat het alleen maar een kwestie zou zijn om per KLM een kaartje naar Sydney te kopen.
De reis kostte 1.700 gulden, precies de som die mij van de regering te verwachten was, te weten 100 gulden voor elke maand dat het contract nog lopen zou.
"Ja", zei de beambte van de emigratiedienst toen ik hem mijn papieren,'landing permit' incluis, liet zien, "nu moet je wel even een bewijs van goed gedrag van de pastoor halen." Een pastoor die me niet kende! Dat was het begin van drie maanden van ongelooflijke 'Red tape' waarbij ik elk formulier op nieuw aan moest vragen, mijn Landing permit van de Australiërs werd volkomen genegeerd. De passagiers met 'assisted passage' konden niet slechter behandeld worden dan ik die zijn eigen reis betaalde. Het was alsof ze alles probeerden om mijn reis te verhinderen, tot op twee maal mijn passage te cancelen. Uiteindelijk werd mijn vertrekdatum gezet op 20 november 1950. De dag voordat ik zou vertrekken werd ontdekt dat ik geen bewijs van goed gedrag had van de politie. Dus naar het stadhuis van Utrecht, mijn woonplaats, waar de ambtenaar vond dat ik had geen bewijs van goed gedrag van de periode voor mijn 10e jaar had. Ik antwoordde, dat is de periode dat ik in Rotterdam woonde. Wel dat moet je dan maar in Rotterdam aanvragen, was het laconieke antwoord. "Hoe lang duurt dat?" "Twee tot drie weken." was het antwoord.
"Ik vertrek morgen vroeg naar Australië!" Hij haalde z'n schouders op alsof dat had niets met hem te maken. "Hoe laat gaat dit bureau sluiten?" - "5.30"- "Dan kom ik voor die tijd terug", zei ik. - 'O ja dat zou ik wel eens willen zien!' stond duidelijk op z'n gezicht te lezen.
Dit was tegen lunchtijd. Normaal een 20 minuten voetreis, werd door een speedmars verkort. Thuis aangekomen werd het spoorweg boekje geraadpleegd. Geen kans om per trein naar Rotterdam en terug vóór 5.30. Een wagen huren was de oplossing. Ik ga met je mee, zei Pa, hij had voor het Ministerie van Justitie gewerkt. Ik huurde een Citroen bij de plaatselijke garage en ijlings op weg. De vaste grip op de weg met de voorwielaandrijving was stukken beter dan de grote Amerikaanse wagens. Dus ging het full speed. Ik kende de weg niet zo best meer na jaren afwezigheid, zodoende zat ik op een gegeven moment in een éénrichtingsstraat.
Vlak voor een zijstraat hield een politie agent, op de fiets, me aan. Ondanks mijn voorstel dat ik op de hoek links afkon slaan, liet hij me de hele straat achteruit terug rijden. Bij het Ministerie van Justitie liep alles van een leien dakje en had ik nu een bewijs dat zei dat vóór miin tiende jaar ik geen misdaden begaan had.
Toen ik om 5.25 het bureau in Utrecht binnenstapte, was de verbaasde uitdrukking een foto waard. Hij was er zo van overtuigd dat hij me bij de staart had.

De zelfde avond vertrokken Pa en ik naar een hotel in Amsterdam, vanwaar we in het holst van de nacht per bus naar Schiphol vervoerd werden. Pa ging mee om op Schiphol me uit te zwaaien. Het afscheid van Ma was natuurlijk heel emotioneel.
Voordat we aan boord gingen, kregen we een uitgebreid ontbijt en zouden om 6 uur opstijgen. Toen ik door de controle moest zei de KLM man, "Sorry, maar u kunt niet aan boord! Uw pokkeninenting is vijf dagen geleden verlopen!" Mijn bewijs was geldig tot de 15e november. Oorspronkelijk zou dat in orde geweest zijn want mijn vroegere passage was al tweemaal uitgesteld. Ik antwoordde dat, komt wat komt, ik heb al m'n bruggen achter me verbrand, ik ga aan boord. Hij riep zijn superieur die mij aan boord zou laten, mits ik eerst een formulier tekende dat de KLM niet aansprakelijk was voor enig oponthoud of kosten indien ik ergens overblijven moest. Speciaal Cairo was erg strikt op deze zaken, zo zei men.



In Rome hadden we meer als vier uren oponthoud, onze Superconstellation had motorpech en het wachten was op een andere motor die van Schiphol overgevlogen moest worden. Het was jammer dat we niet van het vliegveld afmochten. Het was een mooie gelegenheid om even Rome te zien. In plaats hingen we die tijd rond in de lounge, alwaar ik de slechtste spaghetti Bolognaise, die ik ooit geproefd heb, gegeten heb. Dus met veel vertraging landden we in Cairo om een uur 's nachts. Terwijl we boven Cairo rond vlogen hadden we een prachtig uitzicht op deze maanheldere nacht, het was alsof we op de landkaart van het midden Oosten keken, je kon het Suez-kanaal zien.
Het 'pokken' formulier zat me dwars. Ik bestudeerde het terwijl we boven Cairo cirkelden. 15 november, als ik nu eens de één in een twee veranderde zou het 25 november worden, de dag dat we in Sydney zouden arriveren. Zo gezegd zo gedaan met de zwarte inkt in m'n Parker pen was het een perfecte match.
In Sydney aangekomen, hadden we een zware reis achter de rug vijf dagen van 12 uren vliegen met hele korte nachten, speciaal wanneer het hotel ver van het vliegveld was. Het scheen alsof je nog maar net in bed gestapt was als er iemand op je deur stond te trommelen, opstaan, ontbijt en dan naar het vliegveld. Ik was goed bevriend met de mede passagiers in mijn rij. Ik vond uit dat niet iedereen betaalde voor z'n reis. Voor me zat een familie met tien kinderen. De man was een banketbakker die zijn zaak in Holland verkocht had en de opbrengsten omgezet in machinerieën, die als vrije bagage naar Australië verscheept werd, te weten één kubieke meter per persoon.
"Jij kunt die reis zelf betalen, want je hebt die uitkering gehad." werd mij verklaard! Ik werd eens onaangenaam verast toen ik in kousenvoeten zat te lezen. Opeens werden mijn voeten koud en nat. Toen ik naar de oorzaak zocht vond ik dat een van de bakkers kinderen op haar hurken een plasje op de vloer maakte. Alsof voortdurend overgeven en diaree al niet genoeg was.
Wij kwamen veel in aanraking met de bemanning die de hele reis door meemaakten, het aflossen van de crew werd pas in latere jaren gedaan. Zodoende toen we op een donderdagavond in ons hotel in Calcutta waren, nodigden de cabin-crew mijn twee medepassagiers en mij persoontje, uit om in de naastgelegen nightclub even te gaan borrelen. Wij moesten door een opening in de muur die toegang gaf tot de club. Want, zo verklaarde de bemanning er was drinkverbod in dit Mohammedaans land. Wij werden vrijgehouden, want het ging toch op het expense-account.
In Sydney aangekomen met een paar pond op zak, werd mij door de Commonwealth of Australië een cheque van zeven en dertig pond, als welkom aan geallieerde soldaat die daadwerkelijk aan de Tweede Wereldoorlog had deelgenomen. Een schrijnend verschil met de Nederlandse regering.
Hoe ik in Australië begonnen ben is een andere geschiedenis die elders op deze site te vinden is.
T.v.d. Driesschen,
Erina


Kerstmis 1944.


Maasfront, Sambeek.

De volle maan verlichtte het hele landschap, toen Bert Zonneveld en ik de weg overstaken om onze stelling, naast de weg, te bezetten. Het was de eerste maal dat ik naar deze post gestuurd werd.
Het was moeilijk voor mij me er in te nestelen, ik was klein van stuk. Een enthousiaste graver had de put veel te diep gemaakt. Ik kon de Brengun niet eens in m'n schouder zetten. Ik raadde Bert aan dat hij maar achter het machinegeweer moest gaan staan, aangezien hij een heel stuk groter was.
Ik moest me maar op mijn antiek geweer anno 1917, een 5 schot Springfield P14, verlaten.
Als reserve hadden we een Stengun, een poging tot machinepistool, een mislukt product van Engels geknutsel. Het was een goedkoop wapen, in allerijl gemaakt om de buitgemaakte 9 mm munitie van Afrika te benutten.
Het was niet moeilijk je te oriënteren want met de volle maan was het bijna klaarlichte dag. We hadden ons net geïnstalleerd toen ik plotseling een patrouille, op de weg, naar ons toe zag komen. Met vijf man naast elkaar namen ze de hele breedte van de weg in beslag.
Zij schenen in conversatie verdiept te zijn, maar ik kon niet onderscheiden welke taal ze spraken.
Alhoewel het licht was kon ik toch geen bijzonderheden waarnemen zoals kleur van uniform of het herkennen van wapens.
Op eerst gezicht leken het Engelsen te zijn, de manier waarop hun broekspijpen in hun 'anklets' staken, de manier waarop ze hun wapens droegen, onder de arm, geen helmen maar 'Balaclavas', een wollen muts. Hun hele zorgeloze manier deed denken aan een troep op eigen terrein.
Dit ondanks dat wij geen bericht hadden van een Engelse patrouille in het voorterrein, iets waarvan we normalerwijze bericht hadden kregen.
In onze positie waren de orders; zonder waarschuwing schieten! Toch had ik die twijfel, kon het een verdwaalde Engelse patrouille zijn? Het zou vreselijk zijn om iemand aan jouw kant overhoop te schieten.
Ik droeg Bert op te wachten totdat ik het eerste schot zou vuren. Toen ze vlakbij waren riep ik ze aan en vroeg om het wachtwoord.
Ze bleven stokstijf staan, terwijl de leider naar voren kwam en in het Engels zei: "I don't know, I want to talk to sergeant Rogers." Ondertussen doorlopend was hij zo dicht genaderd dat hij voorovergebogen stond om met mij te praten, zijn machinepistool onder z'n arm op mij gericht.
Op dat moment zag ik dat de rest zich in een halve kring om de stelling getrokken hadden.
Ik opende gelijk vuur! De leider sprong terug en begon als een bokser op z'n tenen dansend heen en weer te springen en met repeteerschoten terug te schieten. Ik grendelde mijn geweer schoof een andere patroon in de kamer en vuurde mijn tweede schot. Deze keer kon ik de richting van mijn schot bepalen door het mondingsvuur. Het derde schot was raak en de 'Unteroffizier' viel zonder geluid, met een halve draai op zijn gezicht. De mogelijkheid van de man daar zwaargewond in pijn of stuiptrekkingen te zien liggen trok me niet aan.
Terwijl ik zo bezig was, viel het me toch op dat Bert met de brengun aan het worstelen was.
Het had één schot gevuurd en liep toen vast. Ook had ik gezien dat drie Duitsers aan de stelling voorbij gerend waren. Dus hadden we ook het gevaar in de rug! De vijfde Duitser lag regelrecht voor Bert, drie meter van de Unteroffizier. Bert zei , "Ik heb er ook een, ik zal even zeker maken dat die ook dood is." Voordat ik hem kon stoppen, vuurde hij een vol magazijn, op automatisch, op de Obergefreiter.
"Zo die is morsdood", zei hij.
Ik zat in de zorg over de drie die achter ons zaten. Ik zei tot Bert om de achteringang van de stelling te dekken. Na een paar minuten op een handgranaat gewacht te hebben, besloot ik op verkenning te gaan. Ik droeg Bert op om me te dekken.
Buiten gekomen was er geen spoor van de Duitsers. Ik ging toen op de Unteroffizier af. Ik duwde hem met mijn voet, geen teken van leven. Toen ik hem omdraaide zag ik dat het schot hem in de keel getroffen had en onder zo'n hoek dat de kogel regelrecht in zijn hersenpan kwam. Hij heeft er nooit iets van geweten.
Na zijn parabellum van zijn koppel genomen te hebben en zijn Mausser machinepistool, ging ik terug naar de stelling, alwaar ik de sectie commandant met twee soldaten aantrof. De twee soldaten gingen op de tweede Duitser (het waren eigenlijk Oostenrijkers) af. Een van de soldaten porde de Obergefreiter met z'n geweer en zei, "Hij is hartstikke dood!" Waarop het 'lijk' opstond en zei, "Ich habe pech gehabt." De andere soldaat, Jan de stroper, gaf hem een schop onder z'n achterste met z'n klomp en zei, "Pech gehad? Jij hebt geluk, voor jou is de oorlog voorbij."
De Obergefreiter protesteerde, "Bei uns werden die Kriegsgefangenen nicht so behandelt!"
"Dat zal best," zei Jan, "vooruit afgemarcheerd!" terwijl hij z'n klompen uitdeed en onder zijn lange overjas stak. Het is beter op je sokken te lopen in de sneeuw, dan heb je meer vaste grond.
Wij hadden uitgevonden, er was niets beter dan klompen met stro om je voeten warm te houden in de stellingen. Nadat de anderen verdwenen, Bert was ook om een of andere reden terug naar het kwartier gegaan, nam ik weer de wacht. Ik had de drie Duitsers gerapporteerd, als mogelijk nog in het dorp verblijvend. Ik was er niet gerust op dat ze nog ergens rond zwierven.
Ik hield daarom een oogje in het zeil. Ik vermoedde dat ze waarschijnlijk zouden proberen om via dezelfde richting terug naar hun eigen basis te keren. Plotseling zag ik een figuur aan de andere kant van de weg, vanaf de achterkant van de boerderij. Nog nooit zag ik iemand zo snel langs de grond kruipen. Hiervoor was een sten nodig, met de sten op automatisch trok ik af. Na twee schoten liep de sten vast. Teleurgesteld smeet ik de sten neer, de figuur was ondertussen al verdwenen, of in de stal achter de boerderij of langs de achterkant van de stal. Iets wat ik van mijn positie niet waar kon nemen.
Met mijn ouwe getrouwe snaphaan trok ik naar de overkant en voorzichtig naderde de stal. Achter de stal was niemand. Toen hoorde ik "zwaar ademhalen", vanuit de stal.
Bij de deur staande riep ik in mijn beste commando stem, "Komm heraus!" Niets, maar het ademhalen ging door. Ik riep nog tweemaal zonder resultaat. Toen deed ik iets dat in geen enkel voorschrift staat.
Ik stak een lucifer aan en keek heel vlug in de stal.
Daar lag een heel zwaar varken met omgedraaide kop me aan te kijken alsof te zeggen, wat is er met jou aan de hand!
Sinds deze bewuste avond hebben we geleerd dat als het vriezend weer is je de Bren moet afstellen op de kou anders vuurt hij niet.
De krijgsgevangene werd naar het Compagnies Hoofdkwartier gebracht, waar hij door Kees Krijntjes verhoord werd. Behalve naam en nummer gaf hij niets. Op de vraag hoe sterk de patrouille was antwoordde hij, "Tussen de vijf en vijfhonderd." Een pistool tegen zijn hoofd maakte hem nog koppiger. Uiteindelijk werd hij aan de Engelse Intelligence overgeleverd.
Door middel van een dosis van 'Applied Psychology' kregen ze alles te weten.
Bij de ontvangst werd hij op z'n gemak gesteld in een luie stoel, een borreltje een sigaret terwijl de radio mooie kerst muziek speelde. Al gauw liepen de tranen hem langs de wangen.
De Oostenrijkse patrouille had opdracht een krijgsgevangene terug te brengen, zodat men vast kon stellen wat voor troepen aan de andere kant zaten. Het bleek dat de vijand nogal verbijsterd was door het ongewone optreden van de troepen aan de andere zijde. Voor dat doel was de, Unteroffizier uitgekozen. Als Spähtruppen Führer specialist, had hij zich het ijzeren kruis verworven. Het was zijn eerste opdracht sinds hij van zijn trouwverlof terugkwam. Kees Krijntjes, onze Compagnie. Commandant, drong er altijd op aan, spaar een kogel voor jezelf, voor het geval dat je krijgsgevangen genomen kan worden. De Duitsers weigerden om Hollanders als geallieerde militairen te beschouwen. Ze zouden als francs-tireurs behandelt worden. Had het hun gelukt om mij krijgsgevangen te nemen, kan men zich voorstellen wat er met mij gebeurd zou zijn. Sindsdien heb ik me vaak afgevraagd, waarom vuurde die Unteroffizier met repeteer schoten op mij? Als hij automatisch gevuurd had, dan had hij mij zeer zeker getroffen.

T.v.d.D.

Toen de oorlog even stil stond.


Oudejaarsavond 1944. Aan het Maasfront tussen Boxmeer en Venlo.

De derde compagnie Regt. Brabant Stoottroepen had bij die tijd bijna twee maanden onafgebroken in de stellingen gelegen. Twee maanden van modder, sneeuw en ijs. Het werd pas later ontdekt dat wij de enige troepen waren die dat deden, terwijl de andere geallieerden maar 9 dagen in de loopgraven doorbrachten om dan afgelost te worden en 9 dagen rust kregen in een nabij gelegen stad zoals b.v.Eindhoven. Toen de Engelsen hierover benaderd werden beloofden ze ons ook verlof te geven. Iets wat nooit gebeurd is want tegen die tijd trokken we Duitsland binnen en was er van verlof geen sprake meer. Alles bij elkaar zaten we, naar ik me herinner 4 maanden in de loopgraven. In Januari toen het begon te sneeuwen waren de Duitsers in een voordeliger positie dan wij want zij hadden sneeuw camouflage en waren over het algemeen beter bewapend. Voor de winter hadden wij rubber laarzen gekregen en leren vesten zonder mouwen. De laarzen verhoedden niet de kou en nattigheid van de sneeuw. Daarom was het veel beter om met klompen gevoerd met stro in de loopgraven te staan.

Wij waren van plan op oudejaarsavond het nieuwe jaar met vuurwerk te begroeten en hadden ten dien einde al onze lichtkogels opgespaard die we dan op slag van 12 de lucht in wilden schieten.
Jammer genoeg kreeg een van de officieren er de wind van en werden we met inname van het langverwachte verlof bedreigd als er maar één kogel onnodig verschoten werd! (als we het geweten hadden, dat verlof hebben we toch nooit gekregen!)
Tot onze grootste verbazing, precies op slag van 12 uur, deden de Duitsers tegenover ons precies hetzelfde wat wij van plan waren. Ze schoten lichtkogels recht de lucht in, kwamen hun stellingen uit, zingend onder begeleiding van potten- en pannen muziek. Ze riepen naar ons om mee te doen.
Een van onze officieren kwam naar beneden rennen om te zien wat er gaande was. Hij ging onmiddellijk terug en vroeg artillerie vuur op de vierende Duitsers aan. De Duitsers als ouwe rotten namen dit smalend in ontvangst en riepen "stuur nog maar wat". Ze zochten alleen maar dekking als de granaten een beetje te dicht insloegen.
Ik vond het niet erg sportief en had liever gedaan wat wij oorspronkelijk van plan waren.


Nieuwjaars morgen:

Enige uren later ... Als sectie commandant mag je s'nachts niet slapen, dus moest ik altijd zien om gedurende dag een paar uur te nemen, iets wat niet altijd mogelijk was.
Deze morgen zat ik net te ontbijten toen op een gegeven moment met een hels lawaai de, naar het scheen, de hele Duitse Luftwaffe zich op ons neerstortte.
Buitengekomen zag ik Messerschmitts als een zwerm zwaluwen op onze stellingen duiken en met mitrailleurvuur bestoken!
Op die dag, 1 Januari 1945, de laatste stuiptrekking van de Luftwaffe!!
Ze vielen hele Westelijke frontlijn aan. Ik rende naar de stelling waar de enkele dagpost bezig was om de brengun op te stellen om een vliegtuig in het vizier te krijgen.


     
Messerschmitt bf 109-2.

Ik riep hem dekking te zoeken tussen de huizen en greep de brengun en stelde me tussen de huizen op en begon van de heup op de zwermende en cirkelende vliegtuigen te schieten.
Tegen die tijd was iedereen op de been, Kees Krijntjes onze C.C. (In Sumatra gesneuveld) riep iedereen uit de stellingen en tussen de huizen te gaan. We schoten met alles behalve pijl en boog. De kogels vlogen overal. Als eindresultaat waren twee Messerschmitts door ons omlaaggehaald, één door onze beste schutter met een brengun, de andere door een jongen met z'n geweer.
Deze jongen was altijd de duvelstoejager, hij werd altijd op boodschappen uitgestuurd door zijn maten. Deze morgen was hij uitgestuurd om een kannetje melk te halen bij de boeren.
Hij stond nog met z'n kannetje melk bij de boeren te praten toen de aanval van de Luftwaffe begon. De boeren raadden hem aan om maar terug te gaan voordat hij gemist werd. Dwars over het weiland lopend in zijn lange overjas met het geweer over de schouder en het melkkannetje in de andere hand zag een van de piloten hem wel gauw, draaide om en begon zijn aanloop om onze vriend op de korrel te nemen. Zodra onze jongen merkte het was om hem te doen draaide hij zich om zette het kannetje voorzichtig neer nam zijn geweer van de schouder, en terwijl de piloot het vuur op hem opende, legde kalmpjes aan en volgens voorschrift, trok af en met een knal stopte de motor van de Messerschmitt. Op z'n buik landend gierde de jager voorbij, de piloot rukte de kap open en sprong al uit voordat het vliegtuig tot stilstand kwam. Hij rende regelrecht in de armen van twee Engelse soldaten, die als toeschouwers van een veilige positie, het hadden gadegeslagen. Tot onze grootste verontwaardiging, weigerden de Engelsen om het pistool van de piloot aan onze schutter te geven, iets wat volgens ons, behoorde aan diegene die de piloot omlaag gehaald had. Wonder boven wonder, hadden wij geen verliezen.
Zo kan men zien dat de oorlog om 12 uur 's avonds voor een momentje gestopt werd, om enige uren later weer met full speed voortgezet te worden.

T.v.d.D.

Het muisje dat nog een staartje had


Ik was een regelmatig bezoeker aan de BOSS website. In Januarie 2000, in de rubriek 'I'm looking for' viel mijn oog op de naam van Ierssel. Monique van Lingen dochter van Wout van Ierssel, zoekt naar maten van haar vader die met hem gediend hebben, die haar iets meer konden vertellen over zijn dienst tijd.

Dat was hooi op mijn vork. Kende ik een van Ierssel? Ik kende drie van Ierssels!
Jo, Wout en Frits. Helaas zijn ze nu alle drie overleden.




De drie gebroeders kwamen allen, zoals ik, van Regt. Brabant. Na de capitulatie van Duitsland kwamen Jo en Wout bij het eerste Batalion Regt. Stootroepen terecht en Frits was bij het derde, later zevende battalion Regt Stoottroepen ingedeeld. Na de lange trip op het hongerschip 'Alcantara' werden we allen op Malakka gedumpt. Na maanden lang werd eerst 3 - RS ingescheept om na de landing en een kort gevecht, waar 7 man sneuvelden, Banka te bezetten. Kort daarop, Maart '46, voer 1 - RS naar Midden Java, Semarang om de bezetting van de Engelse Parachutisten over te nemen. 3 - RS ging later de Olie raffinaderij in Pladjoe, Sumatra, bewaken. Na twee en half jaren tropen dienst, werd een sterk verminderd en uitgeput 1 - RS afgelost om te repatrieren, waar bij 47 maten voorgoed achterbleven op het Semarangse ereveld. Jo besloot in Indië te blijven en tekende ter plaatse bij. In Batavia, kregen we onze winter uniformen, dit bleken twede handse uniformen die klaarblijkelijk van het slachtveld in Europa afkomstig waren. Vele hadden gerepareerde scheuren en sommigen hadden bloedvlekken dat geen stomen had kunnen verweideren. Nadat we aan boord gingen van het Zuiderkruis, een zgn. Libertyship, kwam Generaal Spoor aan boord om afscheid te nemen. Maar de stemming was zodanig,vanwege de uniformen, dat we uit protest hem de rug toe draaiden. Natuurlijk kon de arme man hier niets aan doen. Niet lang daarna stierf hij van een 'hartaanval'.
Het hoogte punt van de thuisreis was een geweldige storm of orkaan voor de Gulf of Aden. 95% zeezieken, 60 meter golven en het schip werd rondgesmeten als een kurk. Elke keer als we met de boeg naar beneden in een trog voeren, dan kwam de schroef boven water en maakte een hels lawaai alsof het hele schip uitelkaar barste.
Na Port Said moesten we in Algiers voor anker, voor reparatie. De zoetwater tank had gelekt en wij moesten zoet water innemen. Die dag daar aan de kade zou alleen al een heel hoofdstuk eisen. Het was een schouwspel met de handelaren, de Franse politie en de plaatselijke inwoners als acteurs. Het was gewoon een comedie van Hollywood.
Toen we in de Hoek de Waterweg op draaiden was het, ondanks onze zware winterjassen, alsof we in onze hemden stonden. Het was alsof we een klap in het gezicht kregen van de ijskoude wind. De eerste dag van winter in Holland! Het was niet het enige koude inHolland.
Holland is een heel klein land in meer dan een opzicht.
Ondanks de beloften ons gegeven in Indië, bleek daar weinig van waar te zijn. Wout en ik moeten beiden gedesillusioneerd zijn om later weer te tekenen om naar Indië gaan. We hebben als kortverbanders, voor drie jaren getekend, hopend om als beroeps een militaire career te volgen. Wout kwam als getrouwd man aan boord. Later leerde ik zijn vrouw Netty kennen. Toen ik het Zuiderkruis aan de kade liggen zag ben ik bijna omgekeerd.. Er waren meer Stoters die bijtekenden. Harry v.d. Broek en toen ik aan Gerrit Kitzen schreef is hij ons later ook gevolgd. Na 19 maanden dienst waren we weer terug om ons ontslag en de 100 gulden per maand voor iedere maand dat ons contract had moeten lopen een totaal van 1700 gulden te ontvangen. In Indië hadden we al onze spaarcentjes bijna totaal verloren. Bij de keuring bleek Wout pleuris te hebben en bleef in dienst in een ziekenhuis tot zijn herstel. Ik ben door de keuring geslipt zonder dat mijn tropische spruw ontdekt werd. Mijn maagklachten werden aan zenuwen toegedacht.
Dit alles gebeurde 55 jaren geleden.
5 jaren geleden maakte ik contact met Wout z'n dochter en zijn we regelmatig door email in contact gebleven. Jo, die later met mij naar Australië geemigreerd was, is jaren geleden in Mt. Isa, Queensland gestorven.
Nu komt het staartje; onlangs vroeg Monique hoe ver wij van Sydney zaten. Dick, die als chef operationele zaken voor het ministerie van Justittie werkt, zou met een delegatie naar Sydney komen voor een conventie waar 19 naties aan deel namen. Ik dacht het zou de hele week wel een heel vol programma zijn. Dus ik veronderstelde dat er misschien maar genoeg tijd voor een plaatselijke kop coffie zijn zou. Alhoewel ik voorstelde als het enigzins kon zou het fijn zijn als er tijd genoeg was voor een BBQ bij ons thuis.
Dick wist het zo te regelen dat als ik hem s'middags ophaalde kon hij bij ons overnachten en brachten we hem de volgende middag terug.
Het was een reuze tijd, we hebben een hoop te vertellen gehad. Mijn vrees, omdat hij zo'n hoge Piet was kon hij weleens aan de arrogante kant zijn, was totaal ongegrond.
Dick ontpopte zich als een officier van de Huzaren van Boreel, zoon van een officier van de Huzaren van Boreel. Iets wat voor mij speciale interesse hield, omdat 1 - RS in Semarang vaak met de huzaren samenwerkte. Ook was het fijn omdat we beiden dezelfde opinie hadden wat de wereld toestand betreft. Kortom het was een gezellige tijd en bracht ons nader tot zijn family.




Ik denk dat de steak een beetje te taai was.
T.v.d. D.


Hein Verbrugge †


Het moet half september geweest zijn toen 's morgens drie uur de telefoon mij wakker schrok.
Normaler wijze wordt men in Australië op dat uur niet gebeld tenzij het een noodgeval is, dus wist ik gelijk dit moet van overzee komen. Dat gebeurt nog wel eens als de mensen 9 uren terug tellen in plaats van vooruit. Wij zitten jullie altijd te voren, wij zijn erg bij de hand hier.
Het was Gerrit Kitzen mijn ouwe maat van de 1-RS O.Co. Gerrit was de pelotonssergeant van de pioniers. Hij deelde mij mee dat onze maat Hein Verbrugge was overleden. Ons aantal wordt steeds geringer.

Hein, net zoals Gerrit, was 5 jaren ouder dan ik. Hein, of Heintje zoals hij bij zijn collega's genoemd werd, was een bijzonder mens. Sergeantmajoor Verbrugge, van de Ondersteuningscompagnie I-RS, was de pelotonscommandant van het Bren-carrier peloton. Een functie waar normalerwijze een officiersrang aangeplakt zit maar niet in het zuinige Nederlandse leger. Misschien had hij geen HBS-diploma. Hein werd later tot adjudant bevorderd en onderscheiden met de Bronzen Leeuw.


Hein speelt badminton


Tijdens reünie in 1994

Hein had voor de oorlog in de cavalerie gezeten, waarschijnlijk de reden dat hij voor de Bren-carriers gekozen was.
Hein was niet alleen hoog intelligent met een scherp onderscheidingsvermogen en kon bliksemsnel in een noodgeval of onder druk reageren, maar had ook gijn en een onweerstaanbare drang om mensen in de maling te nemen maar nooit op een kwaadaardige manier. Ik herinner als we op appèl aantreden moesten, Hein in een parodie op een Engelse Sgt. Maj. aantrad met een stokje onder zijn arm en in Indië met een lorrikiet op z'n schouder. Die lorrikiet ging overal waar Hein ging, zelfs zat aan tafel mee te eten. Ging met Hein onder de klamboe slapen, dat op een dodelijk resultaat uitliep toen Hein zich op een kwade nacht ronddraaide boven op z'n lorrikiet. Die lorrikiet werd niet alleen door Hein gemist maar ook door de anderen.
Hij zat vaak over zijn cavalerie tijd te vertellen: o.a. toen destijds de rekruten op corvee in de stal waren gekleed in werkbroeken en werkkielen en geschoeid met klompen. Die klompen werden netjes op een rijtje gezet op nummer in de gang van de barrak, als ze terugkwamen van de stal.
Hein kon de verleiding niet weerstaan en op een goeie dag spijkerde alle klompen aan de houten vloer, waarna hij alarm liet blazen.
Een van de paarden die ze hadden, een merrie, als je die onder de buik krabbelde had de gewoonte om dan wijdbeens met staart omhoog te gaan plassen. Een geliefd truckje was om een nieuwe luitenant of vaandrig in de stal achter die merrie te loodsen en aan de praat te houden terwijl een ander het paard onder de buik begon te krabbelen.
Ik herinner me in Semarang als het peloton carriers op patrouille ging, Hein er een duivels plezier had om het konvooi af te laten draaien in de Chinese wijk in beneden Semarang. Dan zette hij het hele zaakje in rep en roer, want de Chinezen hadden de gewoonte om hun matrassen en beddengoed in de straat te slepen om te luchten. Door het lawaai van de kettingen van de carriers konden de Chinezen ze horen aankomen. Dan was er paniek geblazen om alles, onder een hoop gebabbel in hun eigen taaltje, naar binnen te slepen. Natuurlijk dit gebeurde zonder enige schade aan te richten. Uiteindelijk wisten de Chinezen dat het maar plagerij was, tot slot wisten ze dat de 'T' brigade hun veiligheid betekende en veel Chinezen hun leven te danken hadden aan de Soldadoe Belanda.
Hein was er altijd op uit om het uiterste van z'n peloton te vergen en dat resulteerde in een uiterst goed getraind onderdeel. Hij was er altijd op uit om nieuwe paden en nieuwe hindernissen te vinden, soms waar een terugweg uitgesloten was en men zo goed en zo kwaad als het ging een uitweg vinden moest.
Als sportinstructeur is er weinig te doen in een leger te velde dus had ik vaak tijd om met een of ander onderdeel mee te gaan, zodoende ging ik vaak mee met de carriers, soms ook als chauffeur of carriercommandant. Andere tijden ging ik mee met de zware mitrailleurs of de drie inch mortier.
Op een goeie dag ging ik mee met de carriers. Hein stuurde ons op een pad dat aan de linkse kant begrensd was door een steile wand en rechts door niets maar een ravijn met heel in de diepte een kali.
Het pad was net breed genoeg voor de tracks van de carriers. Als de eerste carrier voorging volgde de tweede carrier, toen plotseling de grond onder de rechter track verbrokkelde en de carrier weggleed en overhelde naar het ravijn en aan een track bleef hangen. De chauffeur zat doodsbleek over de kant naar het diepe ravijn te kijken. Hein brulde; "Verroer je niet! Blijf zitten!" Hij liet de eerste carrier met een kabel aan haken aan de tweede carrier en het zelfde met de derde carrier die de tweede van achter aan haakte.
Toen werd er met alle macht gegraven om het pad wijder te maken zodat een doorgang voor de carriers mogelijk was. Nadat het graven gedaan was gaf Hein het bevel voor de eerste carrier te trekken en gelijktijdig de derde achteruit te laten trekken. Door de grote spanning van de twee carriers die tegen elkaar introkken kwam de tweede in rechte lijn en kon weer op vaste grond komen. Het snelle reageren en de juiste behandeling van de situatie door Hein redde ons uit een benarde situatie. Dit is slechts een van de vele voorbeelden van Hein in actie als peletons commandant. De carriers hebben een hoop werk verricht en we hebben er een aantal verloren door landmijnen. Drie in één week met als gevolg een aantal doden en gewonden.
In onze vrije tijd werd er gekaart, geschaakt of gedamd. Ik heb het nooit van Hein kunnen winnen, maar door de vele verliezen wel veel geleerd. Als er werd nagekaart over een spel kon Hein het hele bord weer opzetten zoals het was, pakweg na de twaalfde zet. Hij had een scherp geheugen.
Hij was een geweldige atleet en nam aan iedere sport deel badminton, volleybal, tennis, enz.
Op een sportdag nam hij deel aan diverse evenementen, zoals atletiek, rennen, zelfs wielrennen op zware dienstfietsen. Soms bij het verspringen haakte hij er nog een salto mortale aan.

In 1994 op een reünie kwam ik Hein weer voor het eerst tegen: "Oh, gij bent die sportsinstructeur." zei hij.
Ik voelde me wat verlegen want hij was een veel betere sportsman dan ik.
Hij was een bijzondere man.

T.v.d.D.
19 Oct 2004
Erina, NSW, Australia.


Australische Story


Toen ik de 25ste november 1950, ± 19.00 uur uit de KLM Super Constellation stapte, stierf ik van de honger. Van een vijfdaagse reis, de laatste etappe, van Darwin tot Sydney, duurde 12 uren.
Na een ontbijt om 5 uur 's morgens in Darwin en een lunchpakketje voor onderweg, hadden wij niets meer gegeten. Van mijn lunchpakket was niets meer over sinds ik al gedurende de hele reis niets in mij maag wist te houden. Als het er niet van boven uitkwam dan wel van onderen. Het zou later pas blijken dat ik van Indonesië een souveniertje had opgepikt. 'Tropical sprue.'
Zodra ik op vaste grond stond begon ik op Mascot Airport, tevergeefs, naar een restaurant, cafetaria of coffeeshop te zoeken. Na veel vragen stuurde iemand mij naar de Qantas Staff kantine. Een Nissenhut van golfplaten, buiten het hoofdgebouw. Wat een verschil met Schiphol waar, in het restaurant, ik nog een uitgebreid ontbijt genoten had, vóór het aan boord gaan. Ik vroeg de Australiër achter de toonbank om iets te eten. Ik kon alleen maar een kop thee hebben! "Heb je dan helemaal niets te eten?" vroeg ik. "You can have a bicky," zei hij en schroefde het lid van een glazen pot. "That will be twopence." Terug naar het hoofdgebouw, waar we dóór de douane moesten. In de hal werden we opgevangen door een ontvangst comité. Hollands vrijwilligers die dat totaal op eigen initiatief deden. Daar waren Dr. Frans Wouters, Jim Verhoeven en Joop v. Ierssel mijn maat van de Stoottroepen, die ik drie maanden tevoren op Kemajoran, Batavia had 'afgezwaaid' naar Australië.
Er waren nog enige anderen wiens namen ik me niet meer herinneren. Het kwam als een verrassing toen mij tijdens de formaliteiten bij de immigratie beambten mij een cheque van £ 37 werd aangeboden. Dit was een geste van de Australische Regering aan die immigranten die actief aan de zijde van de geallieerden, gedurende de tweede Wereld Oorlog, gevochten hadden. Wat een verschil met Nederland, waar ik m'n laatste cent aan de KLM betalen moest voor mijn passage naar Australië. Wel vrij reizen maar niet voor de oud-strijder. Mijn meeste spaarcentjes had ik in Indonesië al verloren, dank zij de financiële bedrevenheid van Haldemar Schacht, de ex-nazi minister van financiën, nu in dienst van de nieuwe republikeinse Indonesische Regering.
Van het vliegveld werden Jo v. Ierssel en ik naar het kosthuis van Jo gechauffeerd, waar ik voorgesteld werd aan de familie van Jo's kosthuis. Ik werd er heel vriendelijk ontvangen en op een Australisch 'supper' onthaald. De familie toonde zich erg geïnteresseerd en vroegen allerhande over Holland. Het was een typische Australische middenstand familie die in een typisch Australisch bakstenen huis, of 'cottage' woonden. De mannen in de huishoud droegen korte broeken met witte kniekousen. Gedurende de avond zag ik, op de witte kousen van de mannen, de vlooien op en neer springen. In 1950 Sydney had een vlooienplaag!
Na het supper Jo bracht me naar een kosthuis, alwaar Mrs. Mack, (niet haar volle naam, maar Australiërs zijn gek op afkortingen), me welkom heette met een sigaret in de hoek van haar mond. Ze bracht me naar mijn kamer, op de bovenverdieping, die ik met een andere Hollander delen moest. Deze man was op het werk in nachtdienst. Ik ging dood moe naar bed en zelfs de vlooien die me uit bed probeerden te dragen konden me niet wekken. Toen ik wakker werd was het klaar lichte dag om vijf uur 's morgens ( geen zomer- of wintertijd die dagen) en realiseerde ik dat het was het lawaai van het verkeer, dat door de open verandadeuren naar binnen kwam, had mij gewekt. Klaar wakker liep ik op de veranda en keek naar buiten waar ik tot m'n grote verbazing, me terug in de "Roaring Twenties" waande.
Bourke St. was een drukke straat in de binnenstad en het drukke verkeer bestond hoofdzakelijk uit antieke automobielen, meestal Amerikaanse modellen, open toerauto's, met voetenplanken aan de zijkant, reserve wielen in de spatborden enz.

In die tijd was er een schaarste in auto's. Om een nieuwe wagen te kopen, moest men op de wachtlijst dat soms wel jaren duren kon. En net zoals meeste dingen b.v. woning, alles wat schaars was, om het te verkrijgen was heel moeilijk tenzij je iemand met relaties kende. Het was zoals men hier zegt, "It doesn't matter what you know but who you know!" Een steekpenning of twee was ook erg handig.
Australië was een 'culture-shock'! Ondanks dat ik geruime tijd in vreemde landen vertoefd had, was Australië heel anders dan ik me voorgesteld had. Ze waren, door lange isolering, minstens 50 jaren ten achter. In veel opzichten meer Engels dan de Engelsen. In deze naoorlogse periode was er van alles tekort. woningen, arbeidskrachten, transport, moderne machinerieën, etc. Verduisteringen waren een dagelijkse gebeurtenis als de centrales overbelast waren. Australische cuisine, was veelal op oud-Engels gebaseerd; primitief en beperkt. Steak en eggs een van de meest populaire diners. Het bestond uit een grote lap steak die over de rand van het bord hing met een spiegelei, een eetlepel doperwten zo uit het water, een plak tomaat en een paar patatfriet, zonder het lekkere knapperige van de Hollandse patatten. Daarbij werd gewoonlijk thee gedronken. Koffie was iets wat alleen maar uit een fles kwam, 'Bushel's escence'. A typisch Australisch 'Sunday' diner was rosbief met aardappelen en pompoen, alles tezamen gebraden in dezelfde schaal in de oven. Natuurlijk kwamen hier de doperwten erbij, zo uit het water gekookt. Salades bestonden gewoonlijk uit één of twee grote bladeren sla, zonder saus, tomaat, een paar schijven cornedbeef, een plakje kaas, rauwe ui enz. Boterhammen beslag was ook beperkt, meestal Devon, een smakeloze worst, of ham en kaas niet te vergeten. Er was maar een soort kaas die in een blok kwam, net als een stuk zeep, Kraft cheese, zonder kraak of smaak. Continentale worst was toen praktisch onbekend. Hygiëne in de voedselvoorziening liet nogal wat te wensen over. Je portie 'fish & chips', of je hamburger werd in een krant gewikkeld. Hetzelfde met het vlees van de slager.
In deze beginperiode was ik erg zelfbewust en probeerde ik altijd me aan te passen zonder op te vallen en legde me er op toe de taal en streektaal te beheersen. Op een hete morgen op de Cross, (Kings Cross), vroeg ik in een milkbar om iets fris te drinken. Een hoogst verontwaardigde kelnerin vertelde me dat alles in de shop is vers!
Kleding was ook conservatief en jaren ten achter. De mannen gingen gewoonlijk uit, gekleed in een geruit sportsjacket met de open kraag van het overhemd over de kraag van het jacket en 'Stamina' gabardine broek. Erg uniform. Voor begrafenis, bruiloft of dopen droegen de mannen een donkerblauw kostuum met een witte streep, wit overhemd en stropdas. Veel mannen, in die tijd, bekommerden zich er niet om een onderbroek te dragen!
Het uitgaansleven was ook beperkt, Men kon naar de bioscoop voor 2sh.6d. Daarvoor kreeg je nieuws, een paar tekenfilms, en 2 hoofdfilms. Dansen was meestal squaredancing of boerendancing iets waar de immigrant geen kaas van gegeten had. Zodra een dans eindigde gingen de mannen aan een kant en alle vrouwen aan de andere zijde. Ballroomdansen werd maar op geringe schaal gedaan. Sterke drank was aan strikte beperkingen onderhevig. Het mocht alleen maar in hotels met vergunning verkocht worden. Hotels waren niet te verwarren met het Hollandse begrip van hotel. Meeste hotels waren niet op gasten ingericht. In de volksmond 'pubs' genoemd, bestond hun handel hoofdzakelijk uit bierverkoop, tonnenvol. Flessenbier was schaars, je enigste hoop; als je goed met de 'barmaid' overweg kon. De uren waren erg beperkt, van 10.00 tot 18.00 uur. 's Zondags gesloten. Het resultaat was dat de meeste Australiërs, na het werk, regelrecht de pub in gingen om zoveel mogelijk bier naar binnen te gulpen vóór 6 uur. O wee als je tegen die tijd dorst had, je moest je door zes rijen mensen worstelen om aan de bar te komen. Het lawaai van al die stemmen was oorverdovend. Als de 'barmaid' je niet kende had je maar weinig hoop, ze had alleen maar oog voor vaste klanten. Die klanten bestelden vijf minuten vóór sluitingstijd, nog zes glazen bier om nog maar zoveel mogelijk naar binnen te gulpen voordat ze eruit gegooid werden. Tegen de tijd dat ze thuis aan tafel zaten smaakte veelal het eten niet meer of viel men in slaap. Ook het familieleven was vaak niet zoals men dat in Holland kende. Het tehuis was iets waar men sliep en een bad nam. Natuurlijk waren er ook families die een normaal familieleven hadden. Waar de vrouw kookte, de kinderen op school gingen en de man na het werk recht naar huis ging. Gewoonlijk leefden die in buitenwijken in een bescheiden eigen woning met een hypotheek.
Het was een Australiërs droom een eigen huis te hebben op een stuk land van 50 x 20 meters grote. Daarom waren er dan ook maar weinig huurhuizen. Er was een groot tekort aan huurhuizen. De enigste kans was om 'keymoney' aan de makelaar te betalen. Dit was natuurlijk een steekpenning die openlijk werd toegestaan. Veel handel was onderhevig aan, of een steekpenning, of een relatie in de business. Ik leerde al gauw; om iets te kopen ging men niet gelijk naar een winkel of zaak maar, met vragen proberen of je niet iemand vinden kon die een broer, zwager of wie dan ook in de business kende die het voor inkoopsprijs krijgen kon. Auto's waren erg schaars en zoals ik schreef, de meeste auto's op de weg waren van vóóroorlogs maaksel. Om een nieuwe wagen te kopen moest men op de wachtlijst, gemiddelde wachtperiode 12 maanden. Tenzij je iemand kende die een relatie in de ... enz, enz. Ook soms kwam een steekpenning van pas.
Het transport wezen was erg verouderd en primitief.
Sydney had een geweldig uitgestrekt spoornet, waarop ouwe rooie rammelkasten op en neer jaagden. Dan liepen er trams door de stad, die in de volksmond 'toast-racks' genoemd werden, zo genoemd omdat het open wagens waren waar elk compartiment bestond uit twee banken die vis a vis stonden. Aan de buitenkant was een treeplank waar men langs de hele wagon lopen kon, langs die treeplank liep de conducteur om kaartjes te knippen. Een nogal gevaarlijk baantje vooral als de tram om een bocht gierde of ergens rakelings langs reed. Echter ik heb nog nooit gehoord van een conducteur die van de tram gevallen was. In de winter waren die trams natuurlijk niet zo comfortabel. Ook liepen er voor een paar jaar nog trolleybussen. De dieselbussen, waren van Engels makelij en meestal dubbel dekkers, waar de chauffeur in een afgesloten cabine zat.
Mijn kosthuis was in Bourke St. vlak naast de opleidingskazerne van de Politie. De huizen in de straat waren wat men hier noemt 'terrace houses.' Oud Engelse, 18de eeuw, etage woningen, met golfplaten- of leiendaken. Het waren, wat mijn moeder zou noemen, pijpen laatjes die aan elkaar geplakt de straten vulden. De beneden verdieping bestond uit voor- en achterkamer, keuken en op het achterplaatsje een waskeuken en toilet. Sydney was toen in het beginstadium van riolering, dus toiletten bestonden meestal nog uit tonnetjes, die 2x per week geledigd werden. De boven verdieping bestond uit twee slaapkamers en een badkamer, met een gasgeiser of een heetwater systeem gevoed met houtspaanders. De huizen hadden boven een veranda met een leuning uit typisch fraai gietijzer. Die gietijzeren ornamenten waren van Engeland geïmporteerd, net als de golfplaten. Deze huizen werden oorspronkelijk voor de arbeidersklas gebouwd. In moderne tijden werden ze heel populair voor de jonge betere stand.
Mijn eerste dag in Australië werd aan verkenning besteed. Ik liep 's morgens naar de eerste hoek van Bourke- Street en sloeg links af Cleveland St in. Deze straat liep door naar de binnenstad.
Bij het Centraal station aangekomen liep ik George St., de hoofd straat van Sydney, door. Al gauw werd ik door een 2,10 meter lange sergeant van politie aangehouden, die mij opdroeg aan de linkerkant van het trottoir te lopen. Aan het eind van George st. kwam men by Circular Quay aan, de wereldberoemde Sydney Harbour en natuurlijk niet te vergeten Sydney Harbour Bridge een betoverend schouwspel. Een scène die men nergens ter wereld vind.
Ik had genoeg geld om me voor een week te bedruipen. Dus moest ik naar een baan gaan zoeken. Om een betere baan te vinden kreeg men te kampen met het plaatselijk onbekend zijn van diploma's en opleidingen. Ook had ik nog niet in de gaten dat met bluffen oftewel 'Bullshit' een hoop te bereiken was. Ik werd gevraagd of ik officier geweest was in het leger. Snugger, vertelde ik, dat ik maar een doodgewone sergeant was. Ik keek de advertenties na, nog nooit had ik zoveel advertenties voor vacatures gezien. Je kon er kamers mee behangen! Er waren zoveel dat je er wel geblinddoekt met een speld naar kon steken! Oorspronkelijk had ik, in Indonesië, gehoord dat er veel geld te verdienen was met lange afstand transport. Trucks met aanhangers. Maar er waren twee bezwaren om daar onmiddellijk mee te beginnen.
1ste     Een rijbewijs, mijn militaire rijbewijzen moesten natuurlijk omgeruild worden voor de soortgelijke Australische.
2de     Mijn gezondheid! Van de dag van aankomst was mijn toestand er steeds slechter op geworden! Haemorrhoids, en wat later bleek te zijn, tropische spruw. Beiden opgedaan gedurende mijn dienst in Indonesië.
Dus moest ik voorlopig iets aannemen waar ik onmiddellijk mee beginnen kon. Het was heel moeilijk om een keus te maken ik besloot naar het arbeidsbureau te gaan, waar ik met open armen ontvangen werd. "Met jouw ervaring en scholing kunnen we je onmiddellijk plaatsen in een garage op de Kings Cross. De bazen en de employees zijn net als één familie en je kunt er een kamer krijgen boven de garage."
De schaarste van arbeidskrachten moet ontzettend geweest zijn om met mij door zee te blijven gaan. Ik werd bij de dag zwakker. Om een wagen op te krikken moest ik met m'n volle gewicht op de handel leunen, want met de armen kon het niet. De voorman had een goeie remedie voor me. "Jij moet elke dag een paar glazen bier drinken, that'll fix you!" Hijzelf geloofde er wel aan, elke dag, prompt 5, was hij de deur uit; naar de pub!
De Verhoevens, Jim Verhoeven die me, met het ontvangstcomité, ontmoette, had ik ondertussen bevriend. Bij de Verhoevens was het zo'n beetje de zoete inval voor jonge immigranten. Ze woonden zelf erg bekrompen in een pijpenlaatje op Sir John Youngs Crescent. Flip Verhoeven stond altijd klaar met een kopje thee, of men werd uitgenodigd mee aan tafel te zitten ondanks ze het zelf niet zo breed hadden. Flip Verhoeven zei; "Wat jou mankeert is goeie Hollandse huiselijke kost. Van nu af aan kom je na het werk bij ons eten." Ik nam dit aan op voorwaarde dat ik de kost betaalde.
Ondertussen had ik mijn heil bij verschillende doktoren gezocht en verschillende onplezierige testen ondergaan in St Vincent Hospital en Sydney Hospital. Alles zonder resultaat. De reden; in Australië had men destijds weinig ervaring met tropische ziektes. Ik ontmoette een Hollander die me naar een Hollandse dokter verwees. Een met 20 jaren tropen ervaring! Hij was bij het KNIL geweest. Dit betekende 2x per week naar de dokter om, erg pijnlijke, cocktail spuitjes te halen en steeds weer andere recepten, want de vorige werkten averechts verkeerd. Ik moest altijd boter bij de vis betalen en kreeg nooit een kwitantie.
Dus ging het merendeel van mijn £A 9 (ƒ 76.50 salaris, het dubbele van een evenredig Hollands salaris), naar de dokter en de apotheker.
Tot op een goeie dag de apotheker zei, "Ik begrijp niet waarom die dokter je altijd die dure recepten voorschrijft, je kunt dezelfde medicijnen, onder een andere naam, voor niets krijgen!" Na maandenlang gesukkeld te hebben was mijn ziekte in het laatste stadium. Ik wist dit niet, vond dat pas later uit.
Ik maakte de dokter er opmerkzaam dat mijn toestand, ondanks zijn behandeling steeds erger werd.
"Laten we nu maar eens aannemen dat ik spruw heb", zei ik tegen hem. "In dat geval," zei de 'dokter', "is het heel simpel. Je moet op dieet, je kunt kiezen,
No 1:     of je gaat karnemelk drinken en niets anders,
No 2:     rauwe biefstuk eten en niets anders,
No 3:     bananen, niets anders dan bananen, voor ontbijt, lunch en diner. Bananen, bananen, en als je tussen door honger hebt dan eet je voor de verandering maar bananen."
Ik prefereerde bananen. Wonder boven wonder mag ik nog steeds graag een banaantje eten, altijd met een dankbaar gevoel dat ze me het leven gered hebben.
Het is misschien wel begrijpelijk dat ik me afvroeg; waarom ben je in hemelsnaam naar dit land gekomen? Ik nam me voor zo gauw het reisgeld bij elkaar te sparen om ergens anders mijn geluk te proberen.
Reeds tijdens mijn ziekte, besloot ik Zuid-Amerika of Canada moeten beslist beter zijn dan dit achterlijk land! Ik was aan het sparen om naar Canada te gaan, waar mijn oudste zuster en mijn jongere broer zich gevestigd hadden.
Na zes maanden begon ik weer een beetje op sterkte te komen, twaalf maanden later kon ik weer normaal eten en drinken. Alhoewel mijn maag nooit meer de oude was.
Gedurende die periode kwam ik natuurlijk in contact met veel Hollanders en behalve Jo van Ierssel, mijn buddy van de Stoottroepen, ontmoette ik door louter toeval andere Stoottroepers. Afgezien van de Stoters ontmoette ik ook een Hollander die levensverzekeringen verkocht. Hij verkocht veel omdat hij op een handige manier er accommodatie aanplakte. Hij kon nl. zowat de hele Hollandse gemeente in Sydney. Dus bood hij mij een Hollands kosthuis aan mits ik een verzekering bij hem afsloot.
Zodoende verliet ik mijn job in 'bloody' Kings Cross, tot grote opluchting van de baas. En verhuisde naar Collaroy, een buitenwijk in het Noorden van Sydney. Het was een badplaats met een mooi strand.
Door mijn verhuizing kwam ik in een min of meer geïsoleerde buurt, met als enig transport een busservice. Dus toen zich de gelegenheid voordeed om een oud-militaire Harley Davidson te kopen greep ik de kans met beide handen.
Met de Harley kon ik natuurlijk veel beter rondkomen en door mijn verbeterde gezondheid er veel meer van genieten. Ik vond een baan met Blue Point Motors, een tweede hands autohandel, waar twee Hollandse monteurs werkten. Van die heb ik veel geleerd o.a. ook plaatwerken, (uitbuilen) en verfspuiten. Ook werkte er een Hollandse verkoper, die van huis uit een journalist was.
Hij was er meer op gebrand om z'n eigen krant te beginnen. Wat hij dan ook inderdaad deed. De krant werd de "Dutch Australian Weekly" genoemd. Nu 50 jaren later wordt hij nog steeds gepubliceerd.
Op zekere dag vertelde de broer van mijn kostbaas, er was een 'Ice-run' te koop. Er viel een hoop geld te verdienen. Destijds hadden de meeste mensen nog ijskasten. De huidige eigenaar van de run moest verkopen wegens, 'last van zijn knieën'.
Wat mij niet verteld werd was dat de run zich niet allen over een geweldige vlakte uitspreidde, maar ook heel ruig terrein inhield waar je steile rotswanden moest beklimmen of afdalen om van de ene klant naar de andere te komen. Er werd nooit veel geld verdiend en zes maanden later moest ik verkopen wegens "last van m'n knieën". Over die zes maanden kan ik wel een boek schrijven.
In het land van 'Opportunity" heb ik veel ervaring opgedaan en een grote verscheidenheid van beroepen uitgeoefend. O.a. monteur, autospuiter, bankwerker, lasser, taxichauffeur, reiziger in dameskleding, voorman, production manager, bouwarbeider, supervising- foreman voor een van de oudste en grootste aannemers in Sydney, en ten laatste mijn eigen bedrijfje, restaureren van badkamers. Dit laatste totdat ik op pensioen ging.
In 1952 ontmoette ik mijn vrouw en begon echtelijk te leven in 1953, met als resultaat een stiefdochter en een dochter.
In 1959 kochten we een mooi stuk land, waarop ik een huis bouwde waar tot 1974 woonden.
Toen onze dochters hun eigen pad opgingen en huwden, verkochten we ons huis en trokken naar het noorden. Toen we Noosa Heads in Queensland bereikten besloten we daar onze tenten op te slaan. Noosa Heads werd later een van de populairste vakantie oorden in Australië.
Echter ik had er niet op gerekend dat mijn vrouw heimwee naar haar dochters en Sydney zou krijgen. Met als resultaat dat we acht maanden later, in 1975 weer in Sydney arriveerden. Alwaar we een appartement tegenover het strand in Cronulla kochten. Cronulla een van de zuidelijke suburbs van Sydney.
Na drie jaren in een appartement, werd het mij te gortig ik had een tuin en een werkplaats om te knutselen nodig. We vonden een mooi huis in Kareela een mooie moderne wijk dichter bij de City. In 1982 zag ik het aankomen, ik werkte voor een van de oudste en wat eens was het grootste aannemersbedrijf in Sydney. Door een depressie in de industrie stond ik op 58 jarige leeftijd op straat. We besloten om naar de "Central Coast" te verhuizen ongeveer 100 km ten noorden van Sydney. Het is een van de meest populaire vakantieoorden in Australië geworden. Zodoende was het ook aan snelle en uitgebreide ontwikkeling onderhevig. We vonden een aardig plekje in Avoca Beach en plakten een drie verdieping huis tegen de heuvel aan. We woonden in dat huis tot 1996, toen mijn gezondheid een beter handelbare positie vereiste. Er werd weer eens een huis gebouwd, in een plaatsje Erina genoemd, verder van het strand maar heel handig voor alle bedrijven en medische faciliteiten, net om de hoek. Het huis is gelijkvloers, dus geen trappen lopen.
Hier hopen we de rest van ons leven in goede welstand te verbrengen.
Als besluit, behalve de eerste 12 maanden, heb ik nooit spijt gehad om hier als immigrant heen te gaan.
Het werd je gemakkelijk gemaakt om je aan te passen in deze egalitaire society. De baas van hoog tot laag wordt bij z'n eerste naam genoemd. Je hartspecialist behandelt je precies hetzelfde of je hem nou dokter of Jim noemt en hij noemt mij Ted. Het respect voor de persoon ligt niet in rang of stand.
Het land over de laatste 50 jaren heeft geweldige vorderingen gemaakt. Alle eer aan de Britten die de Colony oorspronkelijk gesticht hebben. Niet de Britten in Londen, maar de pioniers die tegenover geweldige hindernissen stonden. Maar de meeste vorderingen werden gemaakt toen dit land open stond voor de emigranten. Er is enorm gepresteerd om met een relatieve kleine bevolking een ontzaggelijke infrastructuur tot stand te brengen. Het was een lange afstand van de 'steak & eggs' en 'the six O'clock swill' tot de hedendaagse moderne society. We kunnen nu met trots zeggen Australië behoort tot een van de meest moderne en vooraan staande landen.
Over de jaren heb ik verschillende malen om de aardbol gereisd, maar ben steeds blij hier weer terug te komen. Voor mij het is de beste plaats ter wereld.

T.v.d.D.

Laatste wijziging: 24 september 2009