Oud-Stoters vertellen


Inhoud:

Dat vergeet ik nooit meer.

P.A. Paulusma

Maart 1944 / augustus 1945.

Charles Kroesen ("Willy")

Actie Heerewaarden.

Lucky Boy

Lucky Boy.

Lucky Boy


'Dat vergeet ik nooit meer'


Twee episodes uit het leven van een Stoottroeper

Deel 1 - 1946/1947
Na aankomst van het 1ste Bataljon Regiment Stoottroepen op 13 maart 1946 in Semarang, Midden-Java, werd een deel van de posities rondom de stad van de Britse troepen overgenomen. Onze taak was de stad en de naaste omgeving te zuiveren van opstandige bendes en een behoorlijke defensielinie op te bouwen ter bescherming van de bevolking en voor onze eigen veiligheid. Na enige weken werden er na intensief patrouilleren en verkenningen, geleidelijk grote zuiveringsacties uitgevoerd om de verdedigingslinie verder landinwaarts te verplaatsen en om een einde te maken aan de regelmatige beschietingen van de stad. Daarmee werd niet alleen de veiligheid van de bevolking van Semarang vergroot maar ook werden de inwoners van een groot aantal dessa's en kampongs in het gepacificeerde gebied in de gelegenheid gesteld hun producten naar de stad te brengen, zodat de voedselvoorziening aanzienlijk kon worden verbeterd.
Politieke onderhandelingen leidden in februari 1947 tot een bestand en de vaststelling van een demarcatielijn; patrouilleren was dagelijks aan de orde en bestandsschendingen leidden vele maanden lang tot grote gevechtshandelingen.
De verwachting dat het overleg op politiek niveau zou vastlopen (wat inderdaad gebeurde in juli 1947), kon door ons op militair niveau worden waargenomen door de veranderingen in de structuur van de 4de Compagnie van ons bataljon. Die werd, samen met een eskadron pantserwagens en tanks van de Huzaren van Boreel, omgevormd tot een zogenaamde Stormafdeling. Vanaf mei 1947 werd intensief geoefend om tot een doelmatig samenwerkingsverband te komen. Een grote actie op korte termijn lag in het verschiet.
Medio juli (ik weet niet meer welke dag) werd bekendgemaakt dat er een grote 'politionele actie' uitgevoerd zou worden en welk aandeel de voormalige 4de Compagnie, thans Stormafdeling, daarin zou hebben.

Het plan was als volgt:
Op 21 juli 1947 zou de aanval in het zuiden ingezet worden om de vijandelijke stellingen tegenover voorpost Gombel te vernietigen en door te stoten naar Oengaran. Als dit doel bereikt was, zou de pantserinfanterie over de weg richting Salatiga snel doorstoten met als doel het onbeschadigd bezetten van:
1. de brug over de Kali Toentang in de hoofdweg naar Salatiga, Solo en Yogya.
2. het spoorwegstation van Toentang.
3. de elektriciteitscentrale aan de Toentang en
4. eventueel de stad Salatiga.
De rest van 1 RS en de andere bataljons zouden volgen.

Het traject van Oengaran naar de brug over de Kali Toentang bedroeg ongeveer 20 km. Uiteraard hadden wij, in de meer dan 15 maanden van ons verblijf in Semarang, veel gevechtservaring opgedaan tijdens zuiveringsacties en gevechtspatrouilles. Maar deze op handen zijnde actie was van geheel andere aard. Dit betekende een rit van 20 km over een slecht wegdek, diep in vijandelijk gebied. Weliswaar in gepantserde voertuigen maar met alle risico's van de bekende gevechtsmiddelen van de tegenstander zoals mijnen, ingegraven vliegtuigbommen, opgeblazen watergangen onder de weg en hinderlagen.
De hele dag van 21 juli hebben we met 'zenuwen op de maag' (veel meer dan bij andere acties) meegeleefd met onze kameraden die vanaf zonsopgang al in actie waren en geluisterd naar de berichten over het verloop. Dat was een spannende dag.
Ik weet niet meer of ik die nacht van 21 op 22 juli nog geslapen heb en hoe laat we vanaf de uitgangspositie aan onze snelle rit zijn begonnen (verrassing was van grote betekenis in dit gevechtsplan). Ik weet niet hoe de omgeving eruitzag. Doordat de cabineluiken waren gesloten, hebben we nauwelijks iets gezien. De chauffeur en ik hadden alleen zicht door de kijksleuven. Achterin hielden de manschappen zich gedekt achter het zij- en achterpantser. Wat ik wel weet is dat ik voorbij de laatste bocht in de weg de brug in het vizier kreeg die nog intact was. Aan de overkant van de rivier aangekomen, hebben we halt gehouden, zijn uit de wagens gesprongen, hebben dekking gezocht en ons gegroepeerd en zijn op mars gegaan naar het spoorwegstation en de elektriciteitscentrale die onbeschadigd in onze handen zijn gevallen.
Gedurende de snelle rit waren de zenuwen al enigszins gekalmeerd en met de brug achter ons, uit de voertuigen en bij het verspreid oprukken in het zijterrein kwam de spanning verder tot ontlading. En later nog meer toen de pioniers van de ondersteuningscompagnie de negen vliegtuigbommen lieten zien die in het wegdek aan de zuidzijde van de brug ingegraven waren geweest. De tegenstander had geen tijd gehad deze tot ontploffing te brengen!
Zo'n dag als deze 22 juli 1947 vergeet je nooit meer!


1946: oostfront Semarang, post slachthuis



1989: slachthuis



1946: kazerne Djatingaleh



1989: Toko Oen



1947: de Toentangbrug



1989: de Tuntangbrug



1947: station Toentang



1989: station Tuntang



1947: parade Prins Bernhard Kapel



1989: straatbeeld



1947: ereveld Tjandi



1989: ereveld Candi



1947: monument in wording



1989: monument ereveld Candi



1948: Pieter A. Paulusma



1989: Pieter A. Paulusma op Sembodjo


Deel 2 - 1989
Het is 22 juli 1989 als ik, samen met mijn vrouw, vertrek vanaf Schiphol voor een reis naar Midden-Java. De aankomst in Jakarta was op 23 juli om17.00 uur lokale tijd. De volgende dag zijn we naar Semarang gevlogen. De tocht per touringcar van het vliegveld naar het centrum en de latere excursies in de stad en omgeving brachten mij weer terug naar veel bekende plaatsen van toen en ook in contact met vriendelijke, lachende mensen.

Een rondrit door Midden-Java via Ungaran, Bawen richting Wonosobo, op dezelfde route als in 1947, nu echter in een touringcar met airconditioning, deed je genieten van een verrukkelijk landschap met afwisselend tabaks-, theeën koffieplantages, sawa's en beboste hellingen van vulkanen.
Deze tocht voerde ons in enkele dagen van Wonosobo via Cilacap (aan Java's zuidkust, Indische Oceaan) en Wates verder naar Yogyakarta. Als ik, tijdens deze beschrijving, de landkaart bekijk, realiseer ik me nogmaals hoe dicht wij (1 RS) indertijd, gerekend bijvoorbeeld vanuit Kopeng, de hoofdstad van onze toenmalige tegenstanders genaderd waren.
Jarenlang hebben we tegen de noordkant van de Merbabu en de Merapi aangekeken. En nu heb ik Yogya dus gezien. Met genoegen wandelingen gemaakt in de hoofdwinkelstraat, de Malioboro, het Kraton bezocht en in de buitenwijk Kota Gede zilversmederijen bezichtigd. Vanuit deze stad hebben we uiteraard een tocht gemaakt naar 2 Boeddhistische tempels: de Cadi Mendut en de wereldberoemde Borobudur. Eveneens vanuit Yogya hebben we een bezoek gebracht aan Parang Tritis, een plaatsje pal ten zuiden van Yogya, aan de Indische Oceaan en bekend om zijn 'zwart-zand-duinen'. Zwart is wat teveel gezegd maar het zand is inderdaad licht- tot donkergrijs van kleur als gevolg van neerslag van vulkanische as.
Op 31 juli zijn we vertrokken naar Surakarta, ook wel Solo genoemd. Tijdens de reis ook nog even de Hindoetempel Prambanan bezichtigd en een suikerfabriek Gondang Baru bij Klaten bezocht. De fabriek was volop in productie.
Leuke bijzonderheid: het stoomlocomotiefje dat de platte wagons met het suikerriet van de plantages aanvoerde, dateerde uit 1912!
Vanuit onze hotelkamer in Solo zag ik die avond bij zonsondergang de drie (vanuit Semarang overbekende) bergen tegen de horizon afgetekend: de Merapi, de Merbabu en de Ungaran. Het reisgezelschap zou op 3 augustus rechtstreeks van Solo via Salatiga naar Semarang terugkeren. Ik wilde beslist een bezoek brengen aan de Tuntangbrug en 11 man van een HUPVAdetachement dat in 1947 in Salatiga bijna 2 jaar lang een hospitaal had gerund, wilden beslist Salatiga bezoeken. En dus werd een uitstapje naar Tuntang en Salatiga georganiseerd.
Eerst maar naar Tuntang. Met mijn fototoestel in de hand en de beelden van toen in het hoofd heb ik die posities opgezocht die een kopie zouden kunnen realiseren van de foto's van toen; de brug van deze en de andere kant, onder deze en die hoek en op verschillende afstanden, het station, de kali, de spoorlijn.
Op weg naar het station zag ik aan een verhard paadje een warong met daarin de eigenaar en een klant. Zij zeiden me lachend goedendag. Ik ging er naar toe en vertelde hen dat ik uit Nederland kwam en foto's wilde maken van de plekjes waar ik 42 jaar geleden was geweest.
Toen ik terugkwam van het station en van de kali stond er een derde man bij de warong. Aan de manier waarop zij gedrieën naar mij keken, voelde ik dat de tamtam z'n werk al had gedaan. Er was over gesproken dat ik in de buurt was en wat ik gezegd had. De derde man vroeg mij of ik 42 jaar geleden als militair daar geweest was. Wij spraken geen volzinnen, het ging ongeveer zo:
Ik : "Saya Tuan"Hij: "Ik ook"
Ik : "Waar?"
Hij: "Hier" (met brede armzwaaien de hele omgeving aanduidend).
Ik : "Bij de Diponegoro Divisie?"
Hij: "Saya Tuan; dan waren wij dus tegenstanders!"
Ik : "Saya, toen wel, maar nú dan?"
Hij: "Nú niet meer" terwijl hij dichter naar mij toekomt en mijn uitgestoken hand met zijn beide handen stevig vastpakt!
Een belevenis die mij diep ontroerde. Die totale afwezigheid van rancune. Die handdruk en brede glimlach! Welgemeende uitingen van lotsverbondenheid.
Zoiets vergeet je nooit meer!
Pieter A. Paulusma, 4-1 RS


Maart 1944 / augustus 1945.


In opdracht van de Top van de Landelijke Knokploegen (LKP) wordt begin 1944 (maart/april) na veel voorbereidend werk een verzetsgroep geformeerd met als standplaats 's-Hertogenbosch/Rosmalen en met als werkterrein het oostelijk deel van Brabant.

Deze verzetsgroep, zes man sterk, krijgt de naam "MARGRIET", genoemd naar Prinses Margriet, die in het jaar daarvoor was geboren. Leider van deze knokploeg wordt de reeds in het verzet werkzame cadet-vaandrig van het K.N.I.L Willy Andriessen, schuilnaam "Emiel". De groep wordt professioneel opgezet; onderdak is geregeld, evenals bonkaarten voor voedsel, kleding en rookwaren, zakgeld en ook een betrouwbaar vervoermiddel (een fiets) wordt gezorgd. Ieder heeft een pistool of revolver. De leden staan permanent op 'stand-by', zodat zij altijd bereikbaar zijn voor actiebesprekingen, het uitvoeren van acties, wapenoefeningen, etc. In de weekeinden wordt nogal eens vrijaf gegeven. Er wordt meestal geopereerd in groepjes van 2 man, soms ook met de gehele groep, zoals bij een overval op en distributiekantoor. Zo is wellicht vooruitlopende op de goede betrekkingen met de BOSS en de stad Cuijk, in juni 1944 een geslaagde overval uitgevoerd op het distributiekantoor van die stad. Op 14 augustus vallen twee leden van de "Margriet", Emiel en Chris, in handen van de Duitsers. Twee anderen weten op het nippertje te ontkomen.
19 augustus worden Emiel en Chris in Vught gefusilleerd.

Eind augustus wordt er hergegroepeerd. Stefke Feyen (overleden 14 augustus 1973) wordt de nieuwe leider en er worden nieuwe mensen aangetrokken om de knokploeg te versterken. Het aantrekken van nieuwe KP'ers is veel gemakkelijker geworden door de vele onderduikers die in de buurt zitten. Nu het front dichterbij komt, valt er veel sabotage werk te doen. Na 'Market-Garden' krijgt de groep ook opdracht diverse vitale objecten te bewaken, o.a. het elektriciteitsstation in Orthen. Bij een van die acties komt Piet van der Lee om het leven.



De eerste Margrietvlag.


Op 24 oktober wordt het deel van Rosmalen en Den Bosch waar de meeste leden van de "Margriet" zich bevinden, bevrijd. De verzetsgroep kan nu openlijk gaan optreden en telt dan, volgens de gegevens van Stefke Feyen, zo'n 70 man. Er wordt nu 'meegewerkt' aan de bevrijding van het overige deel van Den Bosch, waar de geallieerden een week voor nodig hebben.

Na enige tijd op 'burgergebied' het nodige te hebben moeten doen, wat bij een bevrijding schijnt te horen, komt het grootste deel van de groep rond midden november het Regiment Brabant van de Stoottroepen versterken.

Het wordt de "Margriet-compagnie" oftewel de 8e compagnie Regiment Brabant. De compagnie wordt gelegerd in de Frederik Hendrikkazerne te Vught en af en toe komt er een mannetje bij om de compagnie op sterkte te brengen. De grootste aanvulling kwam vanuit de omgeving van Breda, een groep RVV'ers die compleet met leider het 3e peloton gaat vormen. Begin december heeft iedereen een uniform of wat kledingstukken die daarop beginnen te lijken. Ook weet men uit welk eind van een stengun de kogels zijn te verwachten.: "dat eind moet je dus altijd van je af houden".

De compagnie beschikt zelfs over een paar Lee Enfield geweren.

Midden december, het wapenarsenaal van de compagnie heeft zich inmiddels uitgebreid, wordt de compagnie gevechtsklaar bevonden. Geen enkele reden dus om de mannen nog langer in Vught te laten. Er verschijnen trucks, alles en iedereen wordt opgeladen en de compagnie vertrekt richting ... Zeeland. Om tot nu toe duistere redenen wordt in Kruisland halt gehouden en moet daar kwartier worden gemaakt. Voordat echter alles een plaatsje heeft gevonden komt er bericht dat er weer moet worden ingeladen. Het nieuwe doel is gauw bekend, de "Margriet" gaat nar het Land van Maas en Waal om daar de 1e Compagnie af te lossen.




Kort voor Kerst 1944 komt de compagnie in Wamel, Beneden-Leeuwen en Boven-Leeuwen aan. Daar moeten 2-mans schuttersputten (brengun-opstellingen) worden bemand. Het 1e peloton ligt in Wamel, met Canadezen van de "Manitoba Dragoons", het 2e peloton in Beneden-Leeuwen en het 3e peloton in Boven-Leeuwen. De twee laatste pelotons liggen om en om (een Engelse post, een Hollandse post, daarnaast weer een Engelse enz.) met Engelsen van het 49e Verkenningsregiment, dat behoort tot de "Polar Bear Division".

Als op een nacht een Duitse patrouille onder dekkingsvuur de Waal overkomt, leidt dat in Wamel tot een straatgevecht, waarbij van het 1e peloton twee man door de Duitsers krijgsgevangen worden gemaakt.

Eind februari wordt de compagnie voor rust teruggetrokken naar Oss. In het Land van Maas en Waal krijgt de "Margriet" dankbetuigingen van de bevolking in de vorm van een gedicht en van het Engelse Verkenningsregiment een herinneringsbord. De rust in Oss is echter van korte duur want na een dag of drie vertrekt de compagnie als eerste van het Regiment Brabant naar Duitsland. Naar "Berlijn" wordt er op de trucks geschreven. Maar die komen niet verder dan Nijmegen. Daar moet worden overgeladen in DUKW's, omdat het gebied verderop nog is geïnundeerd. De compagnie stopt in het Reichswald en graaft zich in, in de buurt van Kleef.

In die periode, op 20 maart 1945, wordt Stefke Feyen in Den Bosch ontboden, waar hij tijdens het bezoek van H.M. Koningin Wilhelmina haar vijf grote zilveren Margriet-spelden mag overhandigen. Een daarvan mag Stefke persoonlijk bij H.M. opspelden.
Montgomery treft in dit gebied voorbereidingen om de Rijn over te steken: "Operatie Plunder". Dagelijks wordt er patrouille gelopen. Op een nacht komt de compagnie onder zwaar artillerievuur te liggen, maar omdat bij aankomst opdracht was gegeven zich diep in te graven, bleef de beschieting gelukkig zonder gevolgen.

Begin april trekt de "Margriet" de Rijn over en via Emmerik komt men bij 's Heerenberg weer Nederland binnen. De compagnie krijgt de opdracht een D.I.D. (een open legeropslagplaats langs de weg) te bewaken in de buurt van Didam en Zeddam. Niets is zo vervelend als op een grote partij kisten te moeten passen. Dat vindt ook de pelotonscommandant van het 2e peloton. Die pakt een motor en gaat als een éénmanspatrouille de omgeving verkennen. Alles gaat goed tot hij Doesburg nadert, dat nog steeds in Duitse handen blijkt te zijn. De pelotonscommandant wordt onder vuur genomen en moet met achterlating van zijn motor de weg naar Zeddam zien terug te vinden.



Koningin Wilhelmina met zilveren Margiet-speld


Bij terugkomst consternatie alom: motor kwijt door 'moffen', die ook nog een Hollands stadje bezet houden! Voor de "Margriet" reden genoeg om Doesburg te gaan bevrijden. Twee pelotons trekken ten aanval en worden daarbij ondersteund door een paar gevechtswagens van een Canadese eenheid, die reeds ten noorden van Doesburg is terecht gekomen. Een nieuw geformeerd peloton, bestaande uit koks, foerier en hospikken, zal de bewaking van het D.I.D. zolang voortzetten.
Over zo'n operatie mag natuurlijk geen gras groeien en dus trekt de gevechtseenheid al de volgende dag op Doesburg af. Alles gaat goed tot op ca. 2 km van het gestelde doel. Daar verschijnt plotseling een Engelse kolonel, die opdracht geeft halt te houden. Dat kwam op dat moment wel goed uit en dus stopte iedereen. Maar als zijn volgende order "rechtsomkeert - mars" luidt, begrijpt niemand dat; Doesburg ligt immers vlak voor ons. Dus blijft het voor de "Margriet" bij: "halt". Er worden in deze positie argumenten aangevoerd om toch maar door te gaan op de oorspronkelijke marsroute, totaal onwetend van het feit dat een Engelse kolonel niets accepteert van een eerste luitenant (de hoogste die de "Margriet" op dat moment te bieden had) en dan is deze luitenant ook nog een Hollander.
De Hollandse kant blijft argumenten aanvoeren, wat bij de kolonel de bloeddruk dusdanig doet oplopen dat de kleur van 's mans gelaat dezelfde wordt als zijn uitmonstering. Hij kan echter nog wel duidelijk maken dat de commandant 'court-martial' (krijgsraad) boven het hoofd hangt. Gelukkig voor de kolonel kent een van de Margrieters de Hollandse betekenis van dit woord. Stefke wordt op de hoogte gebracht van wat hem eventueel te wachten staat, wat resulteert in het opvolgen van de orders van de kolonel. Canadese gevechtswagens terug naar hun eenheid, de "Margriet" terug naar hun D.I.D., zwaar de pee er in, Doesburg nog steeds bezet en de compagnie een motor minder! Of deze actie daar aanleiding voor is geweest weet men niet, maar heel snel na terugkeer bij de kisten en kratten, vertrekt de compagnie naar Rijssen. Ook dit blijkt maar een zeer tijdelijk verblijf te worden. Wij, een Light Infantery Company, kunnen de zeer snel oprukkende Canadezen niet bijhouden. We worden heel spoedig weer in trucks geladen en rijden via Coevorden bij Meppen Duitsland weer in, richting Oldenburg. In een uitgestrekt gebied tussen de dorpen Burger, Neu-Burger en Esterwegen zet de compagnie zijn tenten op.
De oorlog loopt nu echter op zijn eind en 3 mei pakt de "Margriet" alle spullen weer op en vertrekt van de Noordduitse Laagvlakte naar ... Den Bosch.
Op 5 mei wordt hier de bevrijding van ons land uitbundig gevierd. De "Margriet" compagnie is weer terug in de stad van waaruit zij in december '44 vertrok. Terug op de thuisbasis, zonder verliezen! De twee mannen, in Wamel krijgsgevangen gemaakt door de Duitsers, keren later ook weer in goede gezondheid terug.



Na 5 mei is het werk nog niet helemaal afgelopen. De compagnie komt aan de Maas te liggen met de opdracht de toegang tot het reeds langer bevrijde zuiden te versperren voor de pas bevrijde mensen uit het noorden. Gelegerd bij Empel en Blauwe Sluis wordt de compagnie weer een 'verloren compagnie' zodat zij zonder eten komt te zitten. Een verdwaald hert en een 'reguliere' koe in de uiterwaarden brengen gedeeltelijk uitkomst. Later wordt de "Margriet" verplaatst naar Roosendaal en ingekwartierd in het Missiehuis. Dit onderkomen heeft echter een averechtse uitwerking op de manschappen: zij geven een heel aparte, eigen betekenis aan het woord missie.
In die tijd wordt er van alle kanten getrokken aan de mensen om maar "voor Indië te tekenen". De "Margriet" doet dan, na onderling overleg, het voorstel: wij tekenen en bloc onder de voorwaarde dat wij bij elkaar blijven. Garanties worden hiervoor helaas niet gegeven en dus wordt het: 'Ieder voor zich en ...
Het gros zwaait af - het is augustus 1945.

Charles Kroesen ("Willy").


Actie Heerewaarden.


Je kon het direct merken, het zou een ander soort dag worden dan tot nu toe ... Twee pelotons van de 12e compagnie stonden buiten aangetreden na opdracht om in volledige bepakking te verschijnen, wapens geladen en verder een afwachtende houding op de dingen die stonden te gebeuren. Het was ongeveer 8.00 uur in de morgen. Plotseling barstte er vanuit Alphen (boven Oss) een donderend geweld los van artillerievuur. Het aldaar gelegen Engelse artillerieonderdeel had kennelijk de opdracht gekregen om een plek bij Heerewaarden onder vuur te nemen. Terwijl de granaten ons over de hoofden vlogen, werd ons medegedeeld, dat na beëindiging van de beschieting de twee pelotons zouden oprukken naar het bewuste dorp.
Het dorp was gelegen in een soort lus van de rivier de Waal, waar Waal en Maas het dichtst bij elkaar komen en door deze kronkel in de rivier een soort niemandsland vormde, dat af en toe door de Duitsers werd bezet en somtijds door de geallieerden werd verkend. Het bombarderen van de betreffende plek hield gelukkig niet lang aan en zou ons inziens hoofdzakelijk leiden tot slachtoffers onder de burgerbevolking.

In lange rijen begaven wij ons door de weilanden en boomgaarden in de richting van het dorp, alwaar wij geconfronteerd werden met een stil en verlaten dorpje, waarvan reeds een groot deel van de bevolking was geëvacueerd.
Langs de huisjes sluipend werd door een groep Stoottroepers beweging waargenomen van twee mannen in interlock, uniformbroek en laarzen. Kennelijk was de opzet van de twee mannen juist om op te vallen, temeer daar het kennelijk zo voor het oog ongewapende Duitsers waren. Zij lieten zich zonder meer gevangen nemen en, bij nader onderzoek, bleken het door de aanwezigheid van een getatoeëerd nummer onder de bovenarm, twee SS'ers te zijn die genoeg hadden van de reeds verloren gewaande KRIEG. Middels aanwijzingen van enkele burgers werden ook een aantal nsb'ers gearresteerd en opgesteld, om in bevrijd gebied te worden geïnterneerd.

Daar kwam als uit het niets een vrouw aan op de fiets. Aan haar wapperende rok en de haast die zij scheen te hebben was wel op te maken dat zij iets belangrijks te doen had, en jawel, met schelle stem, kregen we flink onder uit de zak, vanwege de artilleriebeschieting. Zij vond dat een niet te verdedigen, uiterst onverantwoordelijke en risicovolle actie en we mochten van geluk spreken dat er tot nog toe geen meldingen waren binnen gekomen van burgers die gedood of gewond waren.
Na enig verdedigend gesputter onzerzijds en de aansprakelijkheid afschuivend naar de Engelse legerleiding, werd het bekvechten beëindigd. Zij gaf te kennen onderweg te zijn naar een bevalling ... zij was namelijk de vroedvrouw. Logisch ... deze mondelinge schermutseling, waar zij zich inzette voor het zojuist geboren leven dienden wij vaak uit bittere noodzaak en eigen lijfsbehoud soms een leven te beëindigen.



De luitenant gaf aan twee van ons, de brenschutter en zijn helper, de opdracht om naar de andere kant van de dorpsstraat te gaan. Daar werd positie ingenomen bij de heg van een boerderij. Naar deze plek zouden burgers, in hoofdzaak vrouwen en kinderen, worden gestuurd die nodig, vanwege de steeds meer terreur uitoefenende Duitsers, naar bevrijd gebied moesten. De brenschutter en zijn helper hadden snel de opgedragen positie ingenomen en gaven de burgers die gepakt en gezakt aan kwamen lopen met kleine koffertjes en met touw bijeengebonden dekens, opdracht aan de andere zijde van de heg plaats te nemen. We wilden ze zo aan het gezicht en de waarneming van eventuele Duitse patrouilles onttrekken.

Vanuit het dorp werden wij een boer gewaar die, gezeten op een platte wagen met daarop weer een stok met een witte kussensloop, kennelijk zijn dagtaak aan het vervullen was. Deze man had wat minder moeite met onze aanwezigheid dan de zojuist gepasseerde vroedvrouw. Hij hield halt en vroeg terloops aan ons: "willen jullie wat appels?". Wij hadden daar uiteraard geen bezwaar tegen. De boer vervolgde zijn weg en verdween uit het zicht. De zenuwachtige en gespannen vrouwen en kinderen hunkerden naar het moment dat wij ons in beweging zouden zetten naar bevrijd gebied. Door het rammelende geluid op de zandweg was de boer met paard en kar hoorbaar en na korte tijd ook zichtbaar. Wederom hield hij halt en duvelde een grote jute zak met appels voor onze neus. Wij hadden appels, maar ook een probleem ... want hoe neem je over zo'n grote afstand een reuzen zak appelen mee. Jumbo, onze beresterke brenhelper vond de oplossing ... wanneer jij nou de bren, de tas met extra loop en de magazijnen draagt, dan neem ik die zak appelen op mijn nek. Het moment van terugkeer gaf een ludieke vertoning: twee Stoters, waarvan een geladen met appelen ... en de ander met wapentuig, daarachter een rij vrouwen en kinderen met noodbagage, een stel Stoter met gedeeltelijk in ondergoed gestoken SS'ers en een stel Stoters met nsb'ers tussen hen in. Ongeschonden en opgelucht kwamen wij, onder luid applaus van de bevolking in reeds bevrijd gebied, het door ons te verdedigen gebied weer binnen. De schelle stem van de vroedvrouw klonk nog lang na in onze oren.

Lucky Boy.


Lucky Boy.


Wanneer wij vanuit post 10 naar rechts keken dan was er tussen de bomen een andere post waarneembaar zichtbaar aan de zandzakken. De post lag buiten de dijk en keek uit over de uiterwaarden, richting Tiel, daartussen bevond zich de rivier de Waal en als je rustig naar de overzijde tuurde waren activiteiten van de Duitsers goed waarneembaar.

Het probleem dat zich voordeed was ... of die post aan onze rechterzijde des avonds en 's-nachts wel bemand was. Onze Engels sprekende man legde dit vraagstuk voor aan onze Canadese verbindingsman, die op zijn beurt een afspraak met onze man maakte om des middags eens een bezoek te brengen aan deze "spookstelling". De aandacht werd op deze plek gevestigd omdat 's-nachts in de Dorpsstraat een geweldig lawaai werd waargenomen en wel op een moment dat er geen vuur van vijandelijke kant werd waargenomen. De oorzaak was o.i. te zoeken in het feit dat een losliggend brok steen in de zwaar gehavende kerktoren van Wamel, was losgeraakt en met donderend geweld tussen de overige puinhopen was terechtgekomen.
Om 14.00 uur kwam de Canadese luitenant zich melden voor het onderzoek bij post 11(?) en hij vroeg naar Bill, die hem daarbij zou vergezellen. Onder dekking van de huizen in de Dorpsstraat liepen de twee gezamenlijk naar de steeg die voerde naar de bewuste stelling.
De Stoter voorop en enige meters daarachter de Canadees. Plotseling riep de laatste: "mind you for booby-traps", waarop vrijwel direct de schoen van de Stoter een staaldraad raakte en een fel sissend geluid zich deed horen. De Stoter liet zich direct vallen en bedekte zijn hoofd met de arm. De Canadees wist nog net de voorgevel van een huis te bereiken en stond met de rug tegen de muur de klap af te wachten.



Tijdens dat wachten van iets meer dan drie seconden gaat er van alles door het brein, zou ik ooit mijn familie nog zien, moet ik nu met de vrijheid in zicht nog het leven laten of zwaar gewond de strijd staken? Na die drie seconden ... hield het snerpende sissen op ... de Stoter wachtte nog even want wat stond er te gebeuren, een vertrager misschien ... was de explosie alsnog te verwachten, ook de Canadees hield zich nog schuil. Neen ... dit duurde te lang ,de Stoter stond op en liep terug de Canadees, die met stomme verbazing alleen kon uitbrengen:

"YOU ARE A LUCKY BOY" ...

Tot op de dag van vandaag vraagt de Stoter zich nog steeds af, wie deze beschermengel toch geweest is. De luitenant vroeg na die tijd niet meer naar Bill, doch naar:" the Lucky Boy".
8 december 2000, L.B.

Laatste wijziging: 27 juni 2003