Twee episodes uit het leven van een Stoottroeper
Deel 1 - 1946/1947 Na aankomst van het 1ste Bataljon Regiment Stoottroepen op 13 maart 1946 in Semarang, Midden-Java, werd een deel van de posities rondom de stad van de Britse troepen overgenomen. Onze taak was de stad en de naaste omgeving te zuiveren van opstandige bendes en een behoorlijke defensielinie op te bouwen ter bescherming van de bevolking en voor onze eigen veiligheid. Na enige weken werden er na intensief patrouilleren en verkenningen, geleidelijk grote zuiveringsacties uitgevoerd om de verdedigingslinie verder landinwaarts te verplaatsen en om een einde te maken aan de regelmatige beschietingen van de stad. Daarmee werd niet alleen de veiligheid van de bevolking van Semarang vergroot maar ook werden de inwoners van een groot aantal dessa's en kampongs in het gepacificeerde gebied in de gelegenheid gesteld hun producten naar de stad te brengen, zodat de voedselvoorziening aanzienlijk kon worden verbeterd. Politieke onderhandelingen leidden in februari 1947 tot een bestand en de vaststelling van een demarcatielijn; patrouilleren was dagelijks aan de orde en bestandsschendingen leidden vele maanden lang tot grote gevechtshandelingen. De verwachting dat het overleg op politiek niveau zou vastlopen (wat inderdaad gebeurde in juli 1947), kon door ons op militair niveau worden waargenomen door de veranderingen in de structuur van de 4de Compagnie van ons bataljon. Die werd, samen met een eskadron pantserwagens en tanks van de Huzaren van Boreel, omgevormd tot een zogenaamde Stormafdeling. Vanaf mei 1947 werd intensief geoefend om tot een doelmatig samenwerkingsverband te komen. Een grote actie op korte termijn lag in het verschiet. Medio juli (ik weet niet meer welke dag) werd bekendgemaakt dat er een grote 'politionele actie' uitgevoerd zou worden en welk aandeel de voormalige 4de Compagnie, thans Stormafdeling, daarin zou hebben.
Het plan was als volgt: Op 21 juli 1947 zou de aanval in het zuiden ingezet worden om de vijandelijke stellingen tegenover voorpost Gombel te vernietigen en door te stoten naar Oengaran. Als dit doel bereikt was, zou de pantserinfanterie over de weg richting Salatiga snel doorstoten met als doel het onbeschadigd bezetten van: 1. de brug over de Kali Toentang in de hoofdweg naar Salatiga, Solo en Yogya. 2. het spoorwegstation van Toentang. 3. de elektriciteitscentrale aan de Toentang en
4. eventueel de stad Salatiga. De rest van 1 RS en de andere bataljons zouden volgen.
Het traject van Oengaran naar de brug over de Kali Toentang bedroeg ongeveer 20 km. Uiteraard hadden wij, in de meer dan 15 maanden van ons verblijf in Semarang, veel gevechtservaring opgedaan tijdens zuiveringsacties en gevechtspatrouilles. Maar deze op handen zijnde actie was van geheel andere aard. Dit betekende een rit van 20 km over een slecht wegdek, diep in vijandelijk gebied. Weliswaar in gepantserde voertuigen maar met alle risico's van de bekende gevechtsmiddelen van de tegenstander zoals mijnen, ingegraven vliegtuigbommen, opgeblazen watergangen onder de weg en hinderlagen. De hele dag van 21 juli hebben we met 'zenuwen op de maag' (veel meer dan bij andere acties) meegeleefd met onze kameraden die vanaf zonsopgang al in actie waren en geluisterd naar de berichten over het verloop. Dat was een spannende dag. Ik weet niet meer of ik die nacht van 21 op 22 juli nog geslapen heb en hoe laat we vanaf de uitgangspositie aan onze snelle rit zijn begonnen (verrassing was van grote betekenis in dit gevechtsplan). Ik weet niet hoe de omgeving eruitzag. Doordat de cabineluiken waren gesloten, hebben we nauwelijks iets gezien. De chauffeur en ik hadden alleen zicht door de kijksleuven. Achterin hielden de manschappen zich gedekt achter het zij- en achterpantser. Wat ik wel weet is dat ik voorbij de laatste bocht in de weg de brug in het vizier kreeg die nog intact was. Aan de overkant van de rivier aangekomen, hebben we halt gehouden, zijn uit de wagens gesprongen, hebben dekking gezocht en ons gegroepeerd en zijn op mars gegaan naar het spoorwegstation en de elektriciteitscentrale die onbeschadigd in onze handen zijn gevallen. Gedurende de snelle rit waren de zenuwen al enigszins gekalmeerd en met de brug achter ons, uit de voertuigen en bij het verspreid oprukken in het zijterrein kwam de spanning verder tot ontlading. En later nog meer toen de pioniers van de ondersteuningscompagnie de negen vliegtuigbommen lieten zien die in het wegdek aan de zuidzijde van de brug ingegraven waren geweest. De tegenstander had geen tijd gehad deze tot ontploffing te brengen! Zo'n dag als deze 22 juli 1947 vergeet je nooit meer!
|
Deel 2 - 1989 Het is 22 juli 1989 als ik, samen met mijn vrouw, vertrek vanaf Schiphol voor een reis naar Midden-Java. De aankomst in Jakarta was op 23 juli om17.00 uur lokale tijd. De volgende dag zijn we naar Semarang gevlogen. De tocht per touringcar van het vliegveld naar het centrum en de latere excursies in de stad en omgeving brachten mij weer terug naar veel bekende plaatsen van toen en ook in contact met vriendelijke, lachende mensen.
Een rondrit door Midden-Java via Ungaran, Bawen richting Wonosobo, op dezelfde route als in 1947, nu echter in een touringcar met airconditioning, deed je genieten van een verrukkelijk landschap met afwisselend tabaks-, theeën koffieplantages, sawa's en beboste hellingen van vulkanen. Deze tocht voerde ons in enkele dagen van Wonosobo via Cilacap (aan Java's zuidkust, Indische Oceaan) en Wates verder naar Yogyakarta. Als ik, tijdens deze beschrijving, de landkaart bekijk, realiseer ik me nogmaals hoe dicht wij (1 RS) indertijd, gerekend bijvoorbeeld vanuit Kopeng, de hoofdstad van onze toenmalige tegenstanders genaderd waren. Jarenlang hebben we tegen de noordkant van de Merbabu en de Merapi aangekeken. En nu heb ik Yogya dus gezien. Met genoegen wandelingen gemaakt in de hoofdwinkelstraat, de Malioboro, het Kraton bezocht en in de buitenwijk Kota Gede zilversmederijen bezichtigd. Vanuit deze stad hebben we uiteraard een tocht gemaakt naar 2 Boeddhistische tempels: de Cadi Mendut en de wereldberoemde Borobudur. Eveneens vanuit Yogya hebben we een bezoek gebracht aan Parang Tritis, een plaatsje pal ten zuiden van Yogya, aan de Indische Oceaan en bekend om zijn 'zwart-zand-duinen'. Zwart is wat teveel gezegd maar het zand is inderdaad licht- tot donkergrijs van kleur als gevolg van neerslag van vulkanische as. Op 31 juli zijn we vertrokken naar Surakarta, ook wel Solo genoemd. Tijdens de reis ook nog even de Hindoetempel Prambanan bezichtigd en een suikerfabriek Gondang Baru bij Klaten bezocht. De fabriek was volop in productie. Leuke bijzonderheid: het stoomlocomotiefje dat de platte wagons met het suikerriet van de plantages aanvoerde, dateerde uit 1912! Vanuit onze hotelkamer in Solo zag ik die avond bij zonsondergang de drie (vanuit Semarang overbekende) bergen tegen de horizon afgetekend: de Merapi, de Merbabu en de Ungaran. Het reisgezelschap zou op 3 augustus rechtstreeks van Solo via Salatiga naar Semarang terugkeren. Ik wilde beslist een bezoek brengen aan de Tuntangbrug en 11 man van een HUPVAdetachement dat in 1947 in Salatiga bijna 2 jaar lang een hospitaal had gerund, wilden beslist Salatiga bezoeken. En dus werd een uitstapje naar Tuntang en Salatiga georganiseerd. Eerst maar naar Tuntang. Met mijn fototoestel in de hand en de beelden van toen in het hoofd heb ik die posities opgezocht die een kopie zouden kunnen realiseren van de foto's van toen; de brug van deze en de andere kant, onder deze en die hoek en op verschillende afstanden, het station, de kali, de spoorlijn. Op weg naar het station zag ik aan een verhard paadje een warong met daarin de eigenaar en een klant. Zij zeiden me lachend goedendag. Ik ging er naar toe en vertelde hen dat ik uit Nederland kwam en foto's wilde maken van de plekjes waar ik 42 jaar geleden was geweest. Toen ik terugkwam van het station en van de kali stond er een derde man bij de warong. Aan de manier waarop zij gedrieën naar mij keken, voelde ik dat de tamtam z'n werk al had gedaan. Er was over gesproken dat ik in de buurt was en wat ik gezegd had. De derde man vroeg mij of ik 42 jaar geleden als militair daar geweest was. Wij spraken geen volzinnen, het ging ongeveer zo: Ik : "Saya Tuan"Hij: "Ik ook" Ik : "Waar?" Hij: "Hier" (met brede armzwaaien de hele omgeving aanduidend). Ik : "Bij de Diponegoro Divisie?" Hij: "Saya Tuan; dan waren wij dus tegenstanders!" Ik : "Saya, toen wel, maar nú dan?" Hij: "Nú niet meer" terwijl hij dichter naar mij toekomt en mijn uitgestoken hand met zijn beide handen stevig vastpakt! Een belevenis die mij diep ontroerde. Die totale afwezigheid van rancune. Die handdruk en brede glimlach! Welgemeende uitingen van lotsverbondenheid. Zoiets vergeet je nooit meer! Pieter A. Paulusma, 4-1 RS |